Home » Opinie » Zouteloze discussie

Zouteloze discussie

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 10 december 2015 | 4 min read |

Op 26 oktober 2015 werd hier bericht van mijn onderzoek naar zoutformaties, waarin ik betoog dat zoutformaties een vulkanische oorsprong kennen. Tevens werd verwezen naar een interview met mij in het Reformatorisch Dagblad van 21 oktober 2015. Het onderzoek zelf werd begin oktober gepubliceerd in de Grondboor & Hamer, een peer-reviewed vakblad van de Nederlandse Geologievereniging. Onderstaand verwijs ik naar deze artikelen als G&H en RD. De discussie die er op volgde op deze site verliep vaak zouteloos. In dit artikel reageer ik in algemene zin op een aantal argumenten die verschillende keren werden genoemd.

Vooraf één opmerking: wat onderbelicht is gebleven, is dat mijn onderzoek het eerste is in zijn soort. Nooit eerder is de werkelijke dichtheid van gesteenten geïnventariseerd in relatie tot zouttektoniek en in een peer-reviewed artikel gepubliceerd. Dat maakt het tot een uiterst belangrijk onderwerp.

 

Dichtheid

Als eerste een technische opmerking over de dichtheid van zout. Het is onjuist dat zoutpijlers bestaan uit enkel NaCl en dus een dichtheid hebben van 2168 kg/m3. In de pijlers bevinden zich velerlei zouten, waaronder het zware CaSO4 (anhydriet) en CaCO3 (kalk). Van deze laatste zouten zijn in G&H 354 dichtheidsmetingen rechtstreeks uit de formatie zelf verzameld. Deze metingen laten een gemiddelde dichtheid zien van 2702 kg/m3. Zie ook de zoutpijler van Segeberg (Duitsland) die 90 meter boven het maaiveld verrijst (1).

Het tweede punt is dat de meeste modellen uitgaan van gefingeerde dichtheden, zonder referentie naar metingen. Mijn artikel draait juist om het gegeven dat deze in modellen toegepaste dichtheden niet correct zijn. De echte data is door mijnbouwers verzameld door dichtheidsmetingen aan boorkernen. Vanwege de mijnbouwwet dragen ze de meetresultaten over aan TNO die ze beschikbaar stelt voor onderzoek via www.nlog.nl. Om die reden heb ik mijn onderzoek tot tweemaal toe bij TNO te Utrecht mogen presenteren. Ten aanzien van zout mogen we de diepte-afhankelijkheid verwaarlozen, omdat zout nauwelijks porositeiten kent. De meetresultaten die ik bijeen heb gesprokkeld, een lastige en tijdrovende zoektocht overigens, kwamen soms van grote diepte. Gelukkig is er bij zout geen diepteafhankelijkheid en zijn ze dus bruikbaar. De sedimentaire gesteenten op het zout, de overburden, daarentegen kennen een zeer grote porositeit die afneemt met de diepte. Middels afbeelding 2 G&H kan de gemiddelde dichtheid van een 3 km dikke overburden geschat worden op < 2200 kg/m3 (2). Dat vooral dichtheden van grote diepte beschikbaar zijn, komt doordat de data voornamelijk worden aangeleverd door oliemaatschappijen. Met die data hebben we het te doen en deze mogen niet onoordeelkundig worden gemiddeld.

Ten derde: zoutpijlerverklaringsmodellen hebben ook consequenties buiten Nederland. De Zechstein zoutpijlers onderscheiden zich namelijk niet of nauwelijks van zoutpijlers die wereldwijd zijn gevonden in sedimentaire gesteenten.

 

Misverstand

Tot slot wil ik nog ingaan op een misverstand. In G&H beperk ik me tot natuurwetenschappelijke geologische data. Het staat ieder vrij om wetenschappelijke conclusies te trekken op basis van de gerapporteerde data in G&H. Het is derhalve ook mijn goed recht om in het interview met het RD een groter plaatje te schetsen. Maar of ik dat werkelijk heb gedaan, is maar de vraag.

Het mag duidelijk zijn dat in G&H wordt gesproken van het gelijktijdig en vloeibaar aanwezig zijn van sedimenten bovenop magma. Het verklaringsmodel impliceert zo de aanwezigheid van kilometersdikke lagen modder, waarin de pijlers zijn gestold. Iedere geoloog weet dan dat er veel geologische perioden bij zijn betrokken en kennelijk samenvallen binnen de tijd die benodigd is de magma te doen stollen. Inderdaad impliceert dat het ineen schrompelen van honderden miljoenen jaren, zoals in het RD gemeld.
Echter, de publicaties spreken zich niet uit over de ouderdom van het zout en de betrokken sedimentlagen. Ook wordt het jonge-aarde-creationisme niet genoemd. Alleen de natuurwetenschappelijke aspecten zijn beargumenteerd en de zondvloed die ook historisch-wetenschappelijke en theologische onderbouwing kent, is om die reden buiten beschouwing gelaten in G&H en RD. Wel laat mijn onderzoek zien dat de gangbare ideeën over het ontstaan van zout in de ondergrond niet voldoen. In de verklaringsmodellen worden immers foutieve en gefingeerde dichtheden gehanteerd, die niet te herleiden zijn naar harde data en niet onderling overeenstemmen. Dat is vanuit wetenschappelijk oogpunt onverteerbaar.

Waarschijnlijk verklaart dit waarom de redactie van G&H, na peer-review, mijn artikel met daarin tabellen met harde data betreffende duizenden dichtheidsmetingen, plaatste. De bestaande modellen gaan ten onrechte uit van zwaar sedimentair gesteente dat licht zout langzaam kilometers omhoog perst. Een sluitender verklaringsmodel is dat zoute magma zich al stollend door een kilometersdikke modderlaag een weg opwaarts heeft gebaand tijdens een catastrofe.

 

Noten

1.Op de website van Arbeidsgemeinschaft für Karstkunde Harz e.V. wordt van deze zoutpijler geschreven: “Es wäre also richtiger, den Kalkberg „Gips-“ oder noch genauer „Anhydritberg“ zu nennen.“ De zoutpijler blijkt dus grotendeels uit CaSO4 te bestaan.

2.De dichtheid van de overburden loopt vanaf 1300 kg/m3 (maaiveld) op naar ruim 2400 kg/m3 op 3 km diepte.

 

Over de Auteurs: Stef Heerema

Home » Opinie » Zouteloze discussie

Zouteloze discussie

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 10 december 2015 | 4 min read |

Op 26 oktober 2015 werd hier bericht van mijn onderzoek naar zoutformaties, waarin ik betoog dat zoutformaties een vulkanische oorsprong kennen. Tevens werd verwezen naar een interview met mij in het Reformatorisch Dagblad van 21 oktober 2015. Het onderzoek zelf werd begin oktober gepubliceerd in de Grondboor & Hamer, een peer-reviewed vakblad van de Nederlandse Geologievereniging. Onderstaand verwijs ik naar deze artikelen als G&H en RD. De discussie die er op volgde op deze site verliep vaak zouteloos. In dit artikel reageer ik in algemene zin op een aantal argumenten die verschillende keren werden genoemd.

Vooraf één opmerking: wat onderbelicht is gebleven, is dat mijn onderzoek het eerste is in zijn soort. Nooit eerder is de werkelijke dichtheid van gesteenten geïnventariseerd in relatie tot zouttektoniek en in een peer-reviewed artikel gepubliceerd. Dat maakt het tot een uiterst belangrijk onderwerp.

 

Dichtheid

Als eerste een technische opmerking over de dichtheid van zout. Het is onjuist dat zoutpijlers bestaan uit enkel NaCl en dus een dichtheid hebben van 2168 kg/m3. In de pijlers bevinden zich velerlei zouten, waaronder het zware CaSO4 (anhydriet) en CaCO3 (kalk). Van deze laatste zouten zijn in G&H 354 dichtheidsmetingen rechtstreeks uit de formatie zelf verzameld. Deze metingen laten een gemiddelde dichtheid zien van 2702 kg/m3. Zie ook de zoutpijler van Segeberg (Duitsland) die 90 meter boven het maaiveld verrijst (1).

Het tweede punt is dat de meeste modellen uitgaan van gefingeerde dichtheden, zonder referentie naar metingen. Mijn artikel draait juist om het gegeven dat deze in modellen toegepaste dichtheden niet correct zijn. De echte data is door mijnbouwers verzameld door dichtheidsmetingen aan boorkernen. Vanwege de mijnbouwwet dragen ze de meetresultaten over aan TNO die ze beschikbaar stelt voor onderzoek via www.nlog.nl. Om die reden heb ik mijn onderzoek tot tweemaal toe bij TNO te Utrecht mogen presenteren. Ten aanzien van zout mogen we de diepte-afhankelijkheid verwaarlozen, omdat zout nauwelijks porositeiten kent. De meetresultaten die ik bijeen heb gesprokkeld, een lastige en tijdrovende zoektocht overigens, kwamen soms van grote diepte. Gelukkig is er bij zout geen diepteafhankelijkheid en zijn ze dus bruikbaar. De sedimentaire gesteenten op het zout, de overburden, daarentegen kennen een zeer grote porositeit die afneemt met de diepte. Middels afbeelding 2 G&H kan de gemiddelde dichtheid van een 3 km dikke overburden geschat worden op < 2200 kg/m3 (2). Dat vooral dichtheden van grote diepte beschikbaar zijn, komt doordat de data voornamelijk worden aangeleverd door oliemaatschappijen. Met die data hebben we het te doen en deze mogen niet onoordeelkundig worden gemiddeld.

Ten derde: zoutpijlerverklaringsmodellen hebben ook consequenties buiten Nederland. De Zechstein zoutpijlers onderscheiden zich namelijk niet of nauwelijks van zoutpijlers die wereldwijd zijn gevonden in sedimentaire gesteenten.

 

Misverstand

Tot slot wil ik nog ingaan op een misverstand. In G&H beperk ik me tot natuurwetenschappelijke geologische data. Het staat ieder vrij om wetenschappelijke conclusies te trekken op basis van de gerapporteerde data in G&H. Het is derhalve ook mijn goed recht om in het interview met het RD een groter plaatje te schetsen. Maar of ik dat werkelijk heb gedaan, is maar de vraag.

Het mag duidelijk zijn dat in G&H wordt gesproken van het gelijktijdig en vloeibaar aanwezig zijn van sedimenten bovenop magma. Het verklaringsmodel impliceert zo de aanwezigheid van kilometersdikke lagen modder, waarin de pijlers zijn gestold. Iedere geoloog weet dan dat er veel geologische perioden bij zijn betrokken en kennelijk samenvallen binnen de tijd die benodigd is de magma te doen stollen. Inderdaad impliceert dat het ineen schrompelen van honderden miljoenen jaren, zoals in het RD gemeld.
Echter, de publicaties spreken zich niet uit over de ouderdom van het zout en de betrokken sedimentlagen. Ook wordt het jonge-aarde-creationisme niet genoemd. Alleen de natuurwetenschappelijke aspecten zijn beargumenteerd en de zondvloed die ook historisch-wetenschappelijke en theologische onderbouwing kent, is om die reden buiten beschouwing gelaten in G&H en RD. Wel laat mijn onderzoek zien dat de gangbare ideeën over het ontstaan van zout in de ondergrond niet voldoen. In de verklaringsmodellen worden immers foutieve en gefingeerde dichtheden gehanteerd, die niet te herleiden zijn naar harde data en niet onderling overeenstemmen. Dat is vanuit wetenschappelijk oogpunt onverteerbaar.

Waarschijnlijk verklaart dit waarom de redactie van G&H, na peer-review, mijn artikel met daarin tabellen met harde data betreffende duizenden dichtheidsmetingen, plaatste. De bestaande modellen gaan ten onrechte uit van zwaar sedimentair gesteente dat licht zout langzaam kilometers omhoog perst. Een sluitender verklaringsmodel is dat zoute magma zich al stollend door een kilometersdikke modderlaag een weg opwaarts heeft gebaand tijdens een catastrofe.

 

Noten

1.Op de website van Arbeidsgemeinschaft für Karstkunde Harz e.V. wordt van deze zoutpijler geschreven: “Es wäre also richtiger, den Kalkberg „Gips-“ oder noch genauer „Anhydritberg“ zu nennen.“ De zoutpijler blijkt dus grotendeels uit CaSO4 te bestaan.

2.De dichtheid van de overburden loopt vanaf 1300 kg/m3 (maaiveld) op naar ruim 2400 kg/m3 op 3 km diepte.

 

Over de Auteurs: Stef Heerema