Home » Opinie » Wat verhalen weten

Wat verhalen weten

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 6 april 2015 | 3.4 min read |

Een discussie is een mooie aanleiding voor zelfonderzoek, zeker als je discussiepartners er heel andere opvattingen op na houden dan jij zelf. Zo zat ik na het debat met Franca Treur en Huub Oosterhuis, dat onlangs plaatsvond in De Rode Hoed, na te denken over de vraag waarom verhalen en poëzie zich voor veel mensen beter lijken te verdragen met religieus geloof dan rationele argumenten. Waarom kan een beeld van ‘de steppe die zal drinken, bloeien, lachen en juichen’ mensen nieuwe hoop geven waar ze hun schouders ophalen over het bestaan van een eerste oorzaak?

Aangezien het als filosoof mijn tweede natuur is om zaken te analyseren en argumenten af te wegen, is hierover nadenken een hachelijke onderneming — ik wil dan immers analyseren wat er aan de hand is met de combinatie van verhalen en poëzie enerzijds en religie anderzijds. Het is dus met vrees en beven dat ik aan de gang ga.

Je kunt het cynisch benaderen. Religie en ratio hebben niks met elkaar te maken. We weten al sinds David Hume dat de rede slaaf is van de passies en daar kun je dus maar beter op inspelen wil het ooit nog wat worden met religie. Mensen zijn emotie-orgels. Poëzie en verhalen spreken direct tot de verbeelding van mensen, ze roepen gevoelens op en die zetten mensen aan tot actie. Dat voelt goed en het werkt. Zo omzeil je de moeizame vraag of religie ergens op slaat en of het misschien ook waar is dat ‘de dode zal leven’.

Dat bevredigt mij niet. Ik geloof best dat het klopt dat poëzie en verhalen mensen beter op een emotioneel niveau kunnen aanspreken dan argumenten en dat ze daarom beter werken. Dat staat buiten kijf. Maar ik vermoed ook dat je het verband tussen poëtische beelden en literaire taal en religie tekort doet als je er niet meer over zegt dan dit.

Ik doe twee suggesties voor een rijker verband. Beide lijken ze mij de moeite van het overwegen waard. Eén: misschien zijn er dingen die we niet kunnen weten zonder (de juiste) emoties te hebben. Omdat poëzie en verhalen nieuwe emoties te weeg brengen of bestaande emoties kunnen verdiepen en heroriënteren, kunnen ze zo een voertuig voor nieuwe kennis worden. Door het lezen en herlezen van het gedicht Die Todesfuge van Paul Celan kan de diepte van het kwaad van de Holocaust zich verder voor je ontsluiten. Neerdwarrelende confetti, met een perforator gemaakt van degelijke reformatorische lectuur, kan je ogen openen voor de ruimte van religie.

Twee: misschien is er kennis die zich niet leent voor een stellende, argumentatieve en afstandelijk-neutrale benadering. Ik zou ontzettend veel dingen kunnen beschrijven, analyseren en beredeneren over m’n vrouw, maar dat is niet waarom ik haar echt ken. Ik weet hoe ze is, wat haar drijft, waar ze van houdt. Dat is persoonlijke kennis die ik opdoe in mijn leven met haar. Niet vanuit een neutraal buitenstaandersperspectief, maar vanuit een betrokken tweedepersoonsperspectief.

Wat heeft dat met onze vraag te maken? Het lijkt mij niet zo gek om te denken dat poëtische en literaire taal ook een bron van persoonlijke kennis kunnen zijn. Je kunt romanfiguren leren kennen en via hen soms ook echte mensen en hun levens — ervaringen, verlangens en behoeften. Net zo zou God, als hij bestaat, zich persoonlijk kunnen laten kennen via Bijbelse of andere verhalen en poëzie. Zo betoogt de Amerikaanse godsdienstfilosofe Eleonore Stump bijvoorbeeld dat Job niet de hand op de mond legde omdat God hem zo’n overtuigend slim argument had gegeven waarom al die ellende hem moest overkomen, maar omdat hij God had ontmoet en zo persoonlijke kennis had verkregen over God die hij daarvoor niet had.

Als deze suggesties steekhoudend zijn, hebben we begin van een antwoord op onze vraag: verhalen en poëzie kunnen bronnen van religieuze kennis zijn — zelfs van belangrijke religieuze kennis — die je niet makkelijk of zelfs helemaal niet via rationele argumentatie kunt verkrijgen.

Beeld: Antonio Litterio/Wikipedia

Over de Auteurs: Jeroen de Ridder

Home » Opinie » Wat verhalen weten

Wat verhalen weten

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 6 april 2015 | 3.4 min read |

Een discussie is een mooie aanleiding voor zelfonderzoek, zeker als je discussiepartners er heel andere opvattingen op na houden dan jij zelf. Zo zat ik na het debat met Franca Treur en Huub Oosterhuis, dat onlangs plaatsvond in De Rode Hoed, na te denken over de vraag waarom verhalen en poëzie zich voor veel mensen beter lijken te verdragen met religieus geloof dan rationele argumenten. Waarom kan een beeld van ‘de steppe die zal drinken, bloeien, lachen en juichen’ mensen nieuwe hoop geven waar ze hun schouders ophalen over het bestaan van een eerste oorzaak?

Aangezien het als filosoof mijn tweede natuur is om zaken te analyseren en argumenten af te wegen, is hierover nadenken een hachelijke onderneming — ik wil dan immers analyseren wat er aan de hand is met de combinatie van verhalen en poëzie enerzijds en religie anderzijds. Het is dus met vrees en beven dat ik aan de gang ga.

Je kunt het cynisch benaderen. Religie en ratio hebben niks met elkaar te maken. We weten al sinds David Hume dat de rede slaaf is van de passies en daar kun je dus maar beter op inspelen wil het ooit nog wat worden met religie. Mensen zijn emotie-orgels. Poëzie en verhalen spreken direct tot de verbeelding van mensen, ze roepen gevoelens op en die zetten mensen aan tot actie. Dat voelt goed en het werkt. Zo omzeil je de moeizame vraag of religie ergens op slaat en of het misschien ook waar is dat ‘de dode zal leven’.

Dat bevredigt mij niet. Ik geloof best dat het klopt dat poëzie en verhalen mensen beter op een emotioneel niveau kunnen aanspreken dan argumenten en dat ze daarom beter werken. Dat staat buiten kijf. Maar ik vermoed ook dat je het verband tussen poëtische beelden en literaire taal en religie tekort doet als je er niet meer over zegt dan dit.

Ik doe twee suggesties voor een rijker verband. Beide lijken ze mij de moeite van het overwegen waard. Eén: misschien zijn er dingen die we niet kunnen weten zonder (de juiste) emoties te hebben. Omdat poëzie en verhalen nieuwe emoties te weeg brengen of bestaande emoties kunnen verdiepen en heroriënteren, kunnen ze zo een voertuig voor nieuwe kennis worden. Door het lezen en herlezen van het gedicht Die Todesfuge van Paul Celan kan de diepte van het kwaad van de Holocaust zich verder voor je ontsluiten. Neerdwarrelende confetti, met een perforator gemaakt van degelijke reformatorische lectuur, kan je ogen openen voor de ruimte van religie.

Twee: misschien is er kennis die zich niet leent voor een stellende, argumentatieve en afstandelijk-neutrale benadering. Ik zou ontzettend veel dingen kunnen beschrijven, analyseren en beredeneren over m’n vrouw, maar dat is niet waarom ik haar echt ken. Ik weet hoe ze is, wat haar drijft, waar ze van houdt. Dat is persoonlijke kennis die ik opdoe in mijn leven met haar. Niet vanuit een neutraal buitenstaandersperspectief, maar vanuit een betrokken tweedepersoonsperspectief.

Wat heeft dat met onze vraag te maken? Het lijkt mij niet zo gek om te denken dat poëtische en literaire taal ook een bron van persoonlijke kennis kunnen zijn. Je kunt romanfiguren leren kennen en via hen soms ook echte mensen en hun levens — ervaringen, verlangens en behoeften. Net zo zou God, als hij bestaat, zich persoonlijk kunnen laten kennen via Bijbelse of andere verhalen en poëzie. Zo betoogt de Amerikaanse godsdienstfilosofe Eleonore Stump bijvoorbeeld dat Job niet de hand op de mond legde omdat God hem zo’n overtuigend slim argument had gegeven waarom al die ellende hem moest overkomen, maar omdat hij God had ontmoet en zo persoonlijke kennis had verkregen over God die hij daarvoor niet had.

Als deze suggesties steekhoudend zijn, hebben we begin van een antwoord op onze vraag: verhalen en poëzie kunnen bronnen van religieuze kennis zijn — zelfs van belangrijke religieuze kennis — die je niet makkelijk of zelfs helemaal niet via rationele argumentatie kunt verkrijgen.

Beeld: Antonio Litterio/Wikipedia

Over de Auteurs: Jeroen de Ridder