Home » Dossier » Brein » Van Praag, God en Psyche (2008)

Van Praag, God en Psyche (2008)

By | Categorieën: Boekrecensies, Brein | Gepubliceerd Op: 25 december 2011 | 6.4 min read |

Herman M. van Praag (1929) is emeritus hoogleraar psychiatrie. Hij is gespecialiseerd in de biologische oorzaken van abnormaal menselijk gedrag en geldt op dat gebied als een van de groten. Dit boek is weliswaar een vrucht van zijn ouderdom, maar het is beslist geen samenvatting van eerder werk. Ook is het geen overzichtswerk. God en Psyche is een zeer persoonlijke neerslag van Van Praags verkenningen in een gebied dat altijd zijn interesse heeft gehad.

Zeer persoonlijk in de keus van onderwerpen: het boek bestaat uit losse essays (capita selecta) en een groot aantal excursen over zeer uiteenlopende onderwerpen, die wel een eenheid van visie laten zien, maar geen doorgaand betoog vormen. Zeer persoonlijk ook is Van Praags woordkeus: hoewel hij hier schrijft voor een breder publiek, buitelen de moeilijke en vreemde woorden over elkaar heen, en dan gaat het beslist niet alleen om vakjargon. Hij gebruikt woorden en uitdrukkingen als divergentie, convergentie, preambule, mitigerende factoren, gesuperponeerd, ignoramus, multipele loyaliteiten, torment en videtur quod non. Al met al is dit een rommelig en moeilijk geschreven boek. Wat niet betekent dat dit boek niet de moeite waard is. Dat is het namelijk wel.

Het eerste – zeer lange – hoofdstuk zet direct de toon door op verfrissende wijze af te rekenen met die andere joodse zielevorser, Sigmund Freud, die religieus geloof als een primitief restant uit de kindertijd zag. Voor Van Praag is religie een normaal verschijnsel. De meeste mensen zijn religieus, psychiatrische patiënten zijn niet vaker religieus dan andere mensen en religieuze ervaringen zijn verre van uitzonderlijk. Gezonde religie is onschadelijk voor een mens en zijn omgeving, en religie vervult een aantal belangrijke functies in het leven van de mens: het gaat egocentrisme tegen, moedigt ethisch bewustzijn aan, en leidt ons tot een ware ‘lusthof’ van kunst en cultuur. Voor Van Praag is de twijfelende gelovige de norm: “De gelovige is […] per definitie een (auto)dialecticus, een onzekere, een vragensteller, een keuzemaker, constant op pad om iets van dat mysterie te doorgronden. Religieus fanatisme is hem vreemd.” (36) Afwijkingen van de norm vindt men in twee richtingen: hyperreligiositeit (dat zijn de fanatici) en ongeloof. Die laatste afwijking treft men aan in drie gradaties: agnosticisme (geen afwijking, maar een variant op de norm), atheïsme (een niet-pathologische afwijking) en evangeliserend atheïsme. Dat laatste standpunt, waarin men gemakkelijk Herman Philipse en Richard Dawkins herkent, ziet Van Praag als een pathologische afwijking, die gevaarlijk kan worden wanneer zij integraal deel gaat uitmaken van het staatkundig bestel, zoals in de voormalige Sovjet-Unie en in communistisch China.

Van Praag eindigt met een pleidooi voor klassieke religie en tegen nieuwe reli¬giositeit. Er is een weg terug, betoogt hij. Hij diagnosticeert het probleem van klassieke religie als volgt: “De monotheïstische religies ervaren velen als dogmatisch, rigide en autoritair. Gesloten bolwerken. Er wordt zeker¬heid verkondigd, maar geen zekerheid geboden. Die zekerheden bestaan ook niet.” (70) Hierbij hoort als genees¬middel, “dat die traditionele religies zich weten los te maken van geestelijke verstarring en dogmatisering en in staat zijn zich te transformeren tot een open en dialectisch georiënteerd systeem” (73).

Mij valt hierbij op dat Van Praag in nogal rationalistische termen over reli¬gie spreekt. Dat zie je ook al in zijn definitie van religie: “Religie definieer ik als een stelsel dat zich heeft ontwik¬keld rond de aanname dat er een boven¬natuurlijke […] instantie bestaat” (23; mijn cursivering – MS). Bij Van Praag gaat het meer om geloven dat dan om geloven in, meer om het voor waar houden van een overtuiging dan om een vertrouwensrelatie. Ik denk dat dit rationalistische religiebegrip zelf deel van het probleem van ‘klassieke religie’ is: wij zijn vergeten dat er een geloofszekerheid is die niet berust op dogmatisme, op het voor waar houden van geloofswaarheden, maar op een vertrouwen in een God die wij kennen en ervaren. Bij Van Praag komt liturgie voort uit “ontzag voor het godsprincipe” (24; mijn cursivering – MS), niet uit liefde tot God. Idealiter, zo zou ik hier tegenover willen zetten, maakt de bevinding, de persoonlijke geloofservaring, het ons mogelijk te onderscheiden wat onopgeefbaar is en wat perifeer is, zonder dat wij daarbij vervallen in dogmatisme. De kennisse Gods moet centraal staan, niet onze kennis.

Van de andere thema’s die in dit boek aan de orde komen, wil ik hier vooral ingaan op de verhouding van geloof en rede. Van Praag wijdt een hoofdstuk aan de neurotheologie, de herleiding van religie tot bepaalde hersenprocessen. Zijn vraag is, of wij met bijvoorbeeld Dick Swaab kunnen zeg¬gen dat religieus geloof een product van de hersenen is. Als dat zo is, is ‘de eindoverwinning van het atheïsme’ nabij. Op zeer lezenswaardige wijze laat Van Praag zien, dat wij hier met een drogreden te maken hebben. Dat onze hersenen een rol spelen in het tot stand komen van religieuze overtuigingen, betekent niet dat God niet bestaat, evenmin als het feit dat onze hersenen een rol spelen in de totstandkoming van onze overtuigingen aangaande het weer betekent dat het onweer waarvoor iemand bang is niet bestaat. Nog over¬tuigender zou het betoog van Van Praag zijn geweest, wanneer hij en pas-sant ook het omgekeerde argument, namelijk dat het bestaan van religieuze hersenscircuits bewijst dat God wel bestaat, naar de prullenmand zou hebben verwezen. Door te stellen dat het bestaan van deze circuits in onze hersenen erop duidt “dat religieuze ont¬vankelijkheid een authentiek, voor¬naam bestanddeel is van het menselijk bestaan” en “met recht een stevige biologische verankering” (103-104) kreeg, wordt Van Praag toch weer ontrouw aan zijn eigen uitgangspunt dat “neurobiologische determinanten van een psychisch fenomeen […] ons geen enkele informatie over de betekenis van dit fenomeen” geven (101).

Een volgend hoofdstuk is gewijd aan intelligent design. Van Praag ziet de winst van deze richting hierin, dat zij opnieuw de vraag aan de orde stelt of natuurlijke selectie in de evolutietheorie de verklarende last kan dragen die dit begrip heeft. Zijn antwoord is overduidelijk ‘nee’. Tegelijkertijd wijst hij – terecht – de pogingen van ID-aanhangers om God als een verklarende instantie in te voeren, af – in dit verband spreekt hij van “intelligent design creationisten” (133).

Dan volgen enkele exegetische hoofdstukken, waarin joodse traditie en psychiatrische diagnoses worden samengebracht in een originele lezing van de verhalen over Job en over de ondergang van Saul. Ook als de lezer het niet eens is met Van Praag, zal hij zijn voordeel kunnen doen met de wijze waarop hij de teksten tot leven brengt. Van de Bijbel gaat het naar Fla¬vius Josephus en de vraag hoe laakbaar deze collaborateur met de Romeinen was. Van Praag is mild: Josephus was een zwakkeling maar geen schurk.

Het volgende hoofdstuk gaat over drie psychiatrische patiënten wier stoornis een religieuze dimensie heeft en bij wie “creatieve lagen […] kwamen […] bloot te liggen die in hun normale toestand ontoegankelijk waren gebleven” (274). “Komen depressies vaker voor bij joden?” is de vraag van weer een vol¬gend hoofdstuk. Het antwoord is: Ja, maar het is nog niet duidelijk waarom. Wie het wil onderzoeken haaste zich, aldus Van Praag, want door gemengde huwelijken en bekering raakt de joodse genetische ‘pool’ zó verdund, dat er over enkele generaties niets meer te onderzoeken is.

In een lange slotbeschouwing stelt Van Praag dat geloof en rede complementair zijn en argumenteert hij, deels vanuit zijn eigen biografie, voor een joods ietsisme. Samenvattend: in dit boek vindt men de kern van drie goede boeken: over geloof en rede, over joods-psychiatrische exegese, en over psyche & geloof. Dit materiaal is onvoldoende coherent om één goed boek te vormen, maar interessante lectuur is het zeker.

Recensie van Herman M. van Praag, God en Psyche. De redelijkheid van het geloven Visies van een jood (Amsterdam: Boom 2008) 411 pagina’s ISBN 9789085063919
Eerder verschenen in Radix. Tijdschrift over geloof en wetenschap

Over de Auteurs: Marcel Sarot

Home » Dossier » Brein » Van Praag, God en Psyche (2008)

Van Praag, God en Psyche (2008)

By | Categorieën: Boekrecensies, Brein | Gepubliceerd Op: 25 december 2011 | 6.4 min read |

Herman M. van Praag (1929) is emeritus hoogleraar psychiatrie. Hij is gespecialiseerd in de biologische oorzaken van abnormaal menselijk gedrag en geldt op dat gebied als een van de groten. Dit boek is weliswaar een vrucht van zijn ouderdom, maar het is beslist geen samenvatting van eerder werk. Ook is het geen overzichtswerk. God en Psyche is een zeer persoonlijke neerslag van Van Praags verkenningen in een gebied dat altijd zijn interesse heeft gehad.

Zeer persoonlijk in de keus van onderwerpen: het boek bestaat uit losse essays (capita selecta) en een groot aantal excursen over zeer uiteenlopende onderwerpen, die wel een eenheid van visie laten zien, maar geen doorgaand betoog vormen. Zeer persoonlijk ook is Van Praags woordkeus: hoewel hij hier schrijft voor een breder publiek, buitelen de moeilijke en vreemde woorden over elkaar heen, en dan gaat het beslist niet alleen om vakjargon. Hij gebruikt woorden en uitdrukkingen als divergentie, convergentie, preambule, mitigerende factoren, gesuperponeerd, ignoramus, multipele loyaliteiten, torment en videtur quod non. Al met al is dit een rommelig en moeilijk geschreven boek. Wat niet betekent dat dit boek niet de moeite waard is. Dat is het namelijk wel.

Het eerste – zeer lange – hoofdstuk zet direct de toon door op verfrissende wijze af te rekenen met die andere joodse zielevorser, Sigmund Freud, die religieus geloof als een primitief restant uit de kindertijd zag. Voor Van Praag is religie een normaal verschijnsel. De meeste mensen zijn religieus, psychiatrische patiënten zijn niet vaker religieus dan andere mensen en religieuze ervaringen zijn verre van uitzonderlijk. Gezonde religie is onschadelijk voor een mens en zijn omgeving, en religie vervult een aantal belangrijke functies in het leven van de mens: het gaat egocentrisme tegen, moedigt ethisch bewustzijn aan, en leidt ons tot een ware ‘lusthof’ van kunst en cultuur. Voor Van Praag is de twijfelende gelovige de norm: “De gelovige is […] per definitie een (auto)dialecticus, een onzekere, een vragensteller, een keuzemaker, constant op pad om iets van dat mysterie te doorgronden. Religieus fanatisme is hem vreemd.” (36) Afwijkingen van de norm vindt men in twee richtingen: hyperreligiositeit (dat zijn de fanatici) en ongeloof. Die laatste afwijking treft men aan in drie gradaties: agnosticisme (geen afwijking, maar een variant op de norm), atheïsme (een niet-pathologische afwijking) en evangeliserend atheïsme. Dat laatste standpunt, waarin men gemakkelijk Herman Philipse en Richard Dawkins herkent, ziet Van Praag als een pathologische afwijking, die gevaarlijk kan worden wanneer zij integraal deel gaat uitmaken van het staatkundig bestel, zoals in de voormalige Sovjet-Unie en in communistisch China.

Van Praag eindigt met een pleidooi voor klassieke religie en tegen nieuwe reli¬giositeit. Er is een weg terug, betoogt hij. Hij diagnosticeert het probleem van klassieke religie als volgt: “De monotheïstische religies ervaren velen als dogmatisch, rigide en autoritair. Gesloten bolwerken. Er wordt zeker¬heid verkondigd, maar geen zekerheid geboden. Die zekerheden bestaan ook niet.” (70) Hierbij hoort als genees¬middel, “dat die traditionele religies zich weten los te maken van geestelijke verstarring en dogmatisering en in staat zijn zich te transformeren tot een open en dialectisch georiënteerd systeem” (73).

Mij valt hierbij op dat Van Praag in nogal rationalistische termen over reli¬gie spreekt. Dat zie je ook al in zijn definitie van religie: “Religie definieer ik als een stelsel dat zich heeft ontwik¬keld rond de aanname dat er een boven¬natuurlijke […] instantie bestaat” (23; mijn cursivering – MS). Bij Van Praag gaat het meer om geloven dat dan om geloven in, meer om het voor waar houden van een overtuiging dan om een vertrouwensrelatie. Ik denk dat dit rationalistische religiebegrip zelf deel van het probleem van ‘klassieke religie’ is: wij zijn vergeten dat er een geloofszekerheid is die niet berust op dogmatisme, op het voor waar houden van geloofswaarheden, maar op een vertrouwen in een God die wij kennen en ervaren. Bij Van Praag komt liturgie voort uit “ontzag voor het godsprincipe” (24; mijn cursivering – MS), niet uit liefde tot God. Idealiter, zo zou ik hier tegenover willen zetten, maakt de bevinding, de persoonlijke geloofservaring, het ons mogelijk te onderscheiden wat onopgeefbaar is en wat perifeer is, zonder dat wij daarbij vervallen in dogmatisme. De kennisse Gods moet centraal staan, niet onze kennis.

Van de andere thema’s die in dit boek aan de orde komen, wil ik hier vooral ingaan op de verhouding van geloof en rede. Van Praag wijdt een hoofdstuk aan de neurotheologie, de herleiding van religie tot bepaalde hersenprocessen. Zijn vraag is, of wij met bijvoorbeeld Dick Swaab kunnen zeg¬gen dat religieus geloof een product van de hersenen is. Als dat zo is, is ‘de eindoverwinning van het atheïsme’ nabij. Op zeer lezenswaardige wijze laat Van Praag zien, dat wij hier met een drogreden te maken hebben. Dat onze hersenen een rol spelen in het tot stand komen van religieuze overtuigingen, betekent niet dat God niet bestaat, evenmin als het feit dat onze hersenen een rol spelen in de totstandkoming van onze overtuigingen aangaande het weer betekent dat het onweer waarvoor iemand bang is niet bestaat. Nog over¬tuigender zou het betoog van Van Praag zijn geweest, wanneer hij en pas-sant ook het omgekeerde argument, namelijk dat het bestaan van religieuze hersenscircuits bewijst dat God wel bestaat, naar de prullenmand zou hebben verwezen. Door te stellen dat het bestaan van deze circuits in onze hersenen erop duidt “dat religieuze ont¬vankelijkheid een authentiek, voor¬naam bestanddeel is van het menselijk bestaan” en “met recht een stevige biologische verankering” (103-104) kreeg, wordt Van Praag toch weer ontrouw aan zijn eigen uitgangspunt dat “neurobiologische determinanten van een psychisch fenomeen […] ons geen enkele informatie over de betekenis van dit fenomeen” geven (101).

Een volgend hoofdstuk is gewijd aan intelligent design. Van Praag ziet de winst van deze richting hierin, dat zij opnieuw de vraag aan de orde stelt of natuurlijke selectie in de evolutietheorie de verklarende last kan dragen die dit begrip heeft. Zijn antwoord is overduidelijk ‘nee’. Tegelijkertijd wijst hij – terecht – de pogingen van ID-aanhangers om God als een verklarende instantie in te voeren, af – in dit verband spreekt hij van “intelligent design creationisten” (133).

Dan volgen enkele exegetische hoofdstukken, waarin joodse traditie en psychiatrische diagnoses worden samengebracht in een originele lezing van de verhalen over Job en over de ondergang van Saul. Ook als de lezer het niet eens is met Van Praag, zal hij zijn voordeel kunnen doen met de wijze waarop hij de teksten tot leven brengt. Van de Bijbel gaat het naar Fla¬vius Josephus en de vraag hoe laakbaar deze collaborateur met de Romeinen was. Van Praag is mild: Josephus was een zwakkeling maar geen schurk.

Het volgende hoofdstuk gaat over drie psychiatrische patiënten wier stoornis een religieuze dimensie heeft en bij wie “creatieve lagen […] kwamen […] bloot te liggen die in hun normale toestand ontoegankelijk waren gebleven” (274). “Komen depressies vaker voor bij joden?” is de vraag van weer een vol¬gend hoofdstuk. Het antwoord is: Ja, maar het is nog niet duidelijk waarom. Wie het wil onderzoeken haaste zich, aldus Van Praag, want door gemengde huwelijken en bekering raakt de joodse genetische ‘pool’ zó verdund, dat er over enkele generaties niets meer te onderzoeken is.

In een lange slotbeschouwing stelt Van Praag dat geloof en rede complementair zijn en argumenteert hij, deels vanuit zijn eigen biografie, voor een joods ietsisme. Samenvattend: in dit boek vindt men de kern van drie goede boeken: over geloof en rede, over joods-psychiatrische exegese, en over psyche & geloof. Dit materiaal is onvoldoende coherent om één goed boek te vormen, maar interessante lectuur is het zeker.

Recensie van Herman M. van Praag, God en Psyche. De redelijkheid van het geloven Visies van een jood (Amsterdam: Boom 2008) 411 pagina’s ISBN 9789085063919
Eerder verschenen in Radix. Tijdschrift over geloof en wetenschap

Over de Auteurs: Marcel Sarot