Home » Dossier » Brein » Swaab, Wij zijn ons brein (2010)

Swaab, Wij zijn ons brein (2010)

By | Categorieën: Boekrecensies, Brein | Gepubliceerd Op: 16 december 2011 | 6.2 min read |

Immanuel Kant zag het als een van de taken van de filosofie te onderzoeken wat de plaats is van religie in een wereld waarin de natuurwetenschap als de belangrijkste bron van kennis wordt beschouwd. Twee opvattingen hadden daarbij zijn speciale aandacht: de overtuiging dat de mens een vrije wil heeft en het geloof dat de dood niet het einde is. Beide lijken moeilijk te verenigen met een naturalistisch wereldbeeld.

Sinds Kant heeft de wetenschap zich sterk ontwikkeld. Dit heeft onmiskenbaar invloed gehad op de manier waarop wij onszelf en de wereld zijn gaan beschouwen. Het zal weinigen ontgaan zijn dat het de laatste jaren vooral boeken over de neurowetenschappen zijn die de planken met populair-wetenschappelijke bestsellers bezetten. Het boek van Dick Swaab Wij zijn ons brein is hier een recent voorbeeld van. De problemen die Kant benoemt komen in zijn boek ter sprake. De vraag is dan of de hersenwetenschappen nieuw licht kunnen werpen op deze kwesties.

Allereerst dient wel duidelijk gesteld te worden dat het boek van Swaab geen filosofisch boek is. Het is veel meer de verwerking van zijn lange carrière als gerenommeerd hersenwetenschapper. Zelf noemt hij het een verslag van ‘persoonlijke kleine antwoorden op grote hersenvragen’. Als wetenschapper is Swaab zich erg bewust van zijn maatschappelijke functie. Door het boek heen doet hij een aantal – vaak  verrassende, maar zeker niet onrealiseerbare – voorstellen om de kennis over de hersenen te gebruiken voor een betere samenleving. Stoppen met roken en behoedzamer medicijngebruik van alle zwangere Nederlandse vrouwen kan bijvoorbeeld de kosten van de gezondheidszorg met miljoenen verminderen. Bovendien zou dit de kans op impulsief en agressief gedrag bij kinderen verminderen, wat voor justitie weer een lastenvermindering is. Sowieso is er voor justitie winst te behalen met de toegenomen kennis over het brein. Swaab windt zich erg op over de desinteresse die hij bij beleidsmakers bespeurt voor empirisch onderzoek naar de effecten van verschillende soorten straffen. Straf moet in zijn ogen op de individuele persoon toegesneden zijn, en vooral niet ineffectief zijn. Het lijkt hem verstandig het volwassen strafrecht alleen toe te passen op personen met gerijpte prefrontale cortex. Dit is pas het geval tussen het drieëntwintigste en het vijfentwintigste levensjaar.

Bovenstaande voorbeelden zijn illustratief voor de manier van redeneren die in het hele boek de boventoon voert. Biologische verklaringen van gedrag, en dan vooral verklaringen vanuit de ontwikkeling van de hersenen, krijgen altijd de voorkeur boven sociale of psychologische verklaringen. Swaab citeert met instemming Darwins autobiografie waarin deze stelt dat opvoeding en omgeving slechts een geringe invloed op de mens uitoefenen. De meeste van onze eigenschappen zijn aangeboren en alles wat we denken, doen en laten gebeurt door onze hersenen (p. 23). Swaab verzet zich hiermee tegen de maakbaarheidgedachte uit de jaren zestig en zeventig. Omgevingsfactoren zijn volgens hem zeker bepalend voor de hersenontwikkeling. We hebben het hier alleen niet over de sociale of maatschappelijke omstandigheden van na de geboorte, maar over de chemische omgeving voor de geboorte. Dit alles is het wat hij wil uitdrukken met de pakkende maar ietwat gezwollen uitdrukking ‘wij zijn ons brein’. De exacte betekenis van deze uitdrukking wordt echter niet voldoende uitgewerkt. Aan de ene kant stelt Swaab dat het brein de geest produceert zoals de nier urine maakt, maar op dezelfde pagina (p. 24) schrijft hij ook dat wij hersengebieden ‘gebruiken’ om allerlei dingen te doen, wat op z’n minst de suggestie wekt dat ‘wij’ en ‘ons brein’ niet identiek zijn.

Hersenonderzoek is niet alleen een zoektocht naar de oorzaken van hersenziekten, maar werpt ook nieuw licht op de vraag waarom we zijn zoals we zijn, zo wordt in de inleiding van het boek gesteld. De neurowetenschappen helpen ons bij de zoektocht naar onszelf. Vanuit deze gedachte is het niet verwonderlijk dat Swaab zich in zijn boek niet alleen bezighoudt met het beschrijven van de wonderlijke wereld van de hersenen en de vele fascinerende afwijkingen die daarin voorkomen – iets dat hij overigens op voorbeeldige wijze doet – maar ook met de levensbeschouwelijke consequenties van zijn onderzoek. Zo zijn we terug bij het project van Kant.

Over het probleem van de wilsvrijheid is Swaab stellig: de vrije wil is niet meer dan een plezierige illusie. In zijn bespreking gaat hij uit van een definitie die hij aan Joseph Price ontleent. Vrije wil is de mogelijkheid te besluiten iets wel of niet te doen zonder interne of externe beperkingen die deze keuze bepalen. Door deze sterke formulering als uitgangspunt te nemen, is het voor Swaab makkelijk om zijn neurobiologische ken-nis als tegenargument in te zetten. Erfelijke factoren en de omgevingsinvloed tijdens de vroege ontwikkeling zorgen ervoor dat ons gedrag bij de geboorte al in belangrijke mate vastligt. We zitten vol met interne beperkingen. Hierbij komt ook dat wij veel beslissingen helemaal niet maken op grond van bewuste afwegingen, maar op basis van automatische onbewuste processen. Beide gegevens zijn echter al eeuwenlang bekend, zoals Swaab duidelijk maakt met citaten van Plato en Spinoza. Mij wordt echter niet duidelijk waarom de nieuwe kennis die de neurowetenschappen ons over de werking van deze mechanismen heeft gegeven bijvoorbeeld het begrip ‘verantwoordelijkheid’ ineffectief zouden maken. Opvallend is dat ook Swaab bij zijn verwerping van de vrije wil altijd een slag om de arm houdt. We zijn volgens hem ‘niet volkomen vrij’, en slechts de ‘volledige vrije wil’ is een illusie. Dit gebrek aan stelligheid is wel verklaarbaar. Swaab is een groot voorstander van de autonomie van het individu en om die reden ook voorstander van legalisatie van stervenshulp aan mensen die hun leven voltooid achten. Ironisch genoeg heet het burgerinitiatief hiertoe dat hij ondersteunt ‘Uit vrije wil’.

Het recht op zelfbeschikking wordt ook sterk benadrukt in de bespreking van religie. Swaab maakt bezwaar tegen het inprenten van religie op jonge leeftijd. Kinderen zouden niet moet leren wat ze moeten denken, maar hoe ze kritisch moeten denken. In de volwassenheid kunnen ze dan hun eigen levensbeschouwelijke keuze maken. Evolutionair gezien zijn er volgens Swaab genoeg redenen om het bestaan van religie te verklaren, maar uiteindelijk beschouwt hij het als onaangenaam bijproduct. Zijn probleem met religie komt voort uit zijn overtuiging dat religie onherroepelijk met geweld gepaard gaat. In de voorbeelden die hij hiervan noemt verliest hij zich soms in onkiese formuleringen. Zo plaatst hij de kindoffers in het vroege Mexico op een lijn met de inentingspraktijken bij de bevindelijk gereformeerden in Nederland.

Op de genoemde filosofische en levensbeschouwelijke terreinen is Swaabs boek weinig vernieuwend. Ook de vraag hoe de hersenen nu precies geest en bewustzijn produceren wordt niet beantwoord, en het fascinerende gegeven dat andersoortige verklaringen dan puur biologische in de praktijk heel goed blijken te werken komt niet voldoende aan bod.

Dit alles neemt niet weg dat het boek op andere terreinen veel te bieden heeft. De aandacht voor de vroege ontwikkelingen van de hersenen en de bespreking van de structurele en functionele hersenverschillen in relatie tot onze seksuele oriëntatie is vernieuwend en meer dan welkom. Het boek in zijn geheel is vlot geschreven en erg toegankelijk. Swaabs prikkelende opstelling kan een goede aanjager zijn voor een bredere discussie over de implicaties en praktische toepassing van nieuwe kennis over de hersenen. Dit kan de maatschappij uiteindelijk ten goede komen. Spijtig is alleen dat verwijzingen en een literatuurlijst ontbreken, waardoor het moeilijk wordt Swaabs stellige claims en beweringen verder te onderzoeken.

Recensie van Dick Swaab, Wij zijn ons brein. Van baarmoeder tot alzheimer (Amsterdam / Antwerpen: Uitgeverij Contact 2010), 479 pagina’s ISBN 9789025435226
Eerder verschenen in Radix. Tijdschrift over geloof en wetenschap

Over de Auteurs: Julian Struijk

Home » Dossier » Brein » Swaab, Wij zijn ons brein (2010)

Swaab, Wij zijn ons brein (2010)

By | Categorieën: Boekrecensies, Brein | Gepubliceerd Op: 16 december 2011 | 6.2 min read |

Immanuel Kant zag het als een van de taken van de filosofie te onderzoeken wat de plaats is van religie in een wereld waarin de natuurwetenschap als de belangrijkste bron van kennis wordt beschouwd. Twee opvattingen hadden daarbij zijn speciale aandacht: de overtuiging dat de mens een vrije wil heeft en het geloof dat de dood niet het einde is. Beide lijken moeilijk te verenigen met een naturalistisch wereldbeeld.

Sinds Kant heeft de wetenschap zich sterk ontwikkeld. Dit heeft onmiskenbaar invloed gehad op de manier waarop wij onszelf en de wereld zijn gaan beschouwen. Het zal weinigen ontgaan zijn dat het de laatste jaren vooral boeken over de neurowetenschappen zijn die de planken met populair-wetenschappelijke bestsellers bezetten. Het boek van Dick Swaab Wij zijn ons brein is hier een recent voorbeeld van. De problemen die Kant benoemt komen in zijn boek ter sprake. De vraag is dan of de hersenwetenschappen nieuw licht kunnen werpen op deze kwesties.

Allereerst dient wel duidelijk gesteld te worden dat het boek van Swaab geen filosofisch boek is. Het is veel meer de verwerking van zijn lange carrière als gerenommeerd hersenwetenschapper. Zelf noemt hij het een verslag van ‘persoonlijke kleine antwoorden op grote hersenvragen’. Als wetenschapper is Swaab zich erg bewust van zijn maatschappelijke functie. Door het boek heen doet hij een aantal – vaak  verrassende, maar zeker niet onrealiseerbare – voorstellen om de kennis over de hersenen te gebruiken voor een betere samenleving. Stoppen met roken en behoedzamer medicijngebruik van alle zwangere Nederlandse vrouwen kan bijvoorbeeld de kosten van de gezondheidszorg met miljoenen verminderen. Bovendien zou dit de kans op impulsief en agressief gedrag bij kinderen verminderen, wat voor justitie weer een lastenvermindering is. Sowieso is er voor justitie winst te behalen met de toegenomen kennis over het brein. Swaab windt zich erg op over de desinteresse die hij bij beleidsmakers bespeurt voor empirisch onderzoek naar de effecten van verschillende soorten straffen. Straf moet in zijn ogen op de individuele persoon toegesneden zijn, en vooral niet ineffectief zijn. Het lijkt hem verstandig het volwassen strafrecht alleen toe te passen op personen met gerijpte prefrontale cortex. Dit is pas het geval tussen het drieëntwintigste en het vijfentwintigste levensjaar.

Bovenstaande voorbeelden zijn illustratief voor de manier van redeneren die in het hele boek de boventoon voert. Biologische verklaringen van gedrag, en dan vooral verklaringen vanuit de ontwikkeling van de hersenen, krijgen altijd de voorkeur boven sociale of psychologische verklaringen. Swaab citeert met instemming Darwins autobiografie waarin deze stelt dat opvoeding en omgeving slechts een geringe invloed op de mens uitoefenen. De meeste van onze eigenschappen zijn aangeboren en alles wat we denken, doen en laten gebeurt door onze hersenen (p. 23). Swaab verzet zich hiermee tegen de maakbaarheidgedachte uit de jaren zestig en zeventig. Omgevingsfactoren zijn volgens hem zeker bepalend voor de hersenontwikkeling. We hebben het hier alleen niet over de sociale of maatschappelijke omstandigheden van na de geboorte, maar over de chemische omgeving voor de geboorte. Dit alles is het wat hij wil uitdrukken met de pakkende maar ietwat gezwollen uitdrukking ‘wij zijn ons brein’. De exacte betekenis van deze uitdrukking wordt echter niet voldoende uitgewerkt. Aan de ene kant stelt Swaab dat het brein de geest produceert zoals de nier urine maakt, maar op dezelfde pagina (p. 24) schrijft hij ook dat wij hersengebieden ‘gebruiken’ om allerlei dingen te doen, wat op z’n minst de suggestie wekt dat ‘wij’ en ‘ons brein’ niet identiek zijn.

Hersenonderzoek is niet alleen een zoektocht naar de oorzaken van hersenziekten, maar werpt ook nieuw licht op de vraag waarom we zijn zoals we zijn, zo wordt in de inleiding van het boek gesteld. De neurowetenschappen helpen ons bij de zoektocht naar onszelf. Vanuit deze gedachte is het niet verwonderlijk dat Swaab zich in zijn boek niet alleen bezighoudt met het beschrijven van de wonderlijke wereld van de hersenen en de vele fascinerende afwijkingen die daarin voorkomen – iets dat hij overigens op voorbeeldige wijze doet – maar ook met de levensbeschouwelijke consequenties van zijn onderzoek. Zo zijn we terug bij het project van Kant.

Over het probleem van de wilsvrijheid is Swaab stellig: de vrije wil is niet meer dan een plezierige illusie. In zijn bespreking gaat hij uit van een definitie die hij aan Joseph Price ontleent. Vrije wil is de mogelijkheid te besluiten iets wel of niet te doen zonder interne of externe beperkingen die deze keuze bepalen. Door deze sterke formulering als uitgangspunt te nemen, is het voor Swaab makkelijk om zijn neurobiologische ken-nis als tegenargument in te zetten. Erfelijke factoren en de omgevingsinvloed tijdens de vroege ontwikkeling zorgen ervoor dat ons gedrag bij de geboorte al in belangrijke mate vastligt. We zitten vol met interne beperkingen. Hierbij komt ook dat wij veel beslissingen helemaal niet maken op grond van bewuste afwegingen, maar op basis van automatische onbewuste processen. Beide gegevens zijn echter al eeuwenlang bekend, zoals Swaab duidelijk maakt met citaten van Plato en Spinoza. Mij wordt echter niet duidelijk waarom de nieuwe kennis die de neurowetenschappen ons over de werking van deze mechanismen heeft gegeven bijvoorbeeld het begrip ‘verantwoordelijkheid’ ineffectief zouden maken. Opvallend is dat ook Swaab bij zijn verwerping van de vrije wil altijd een slag om de arm houdt. We zijn volgens hem ‘niet volkomen vrij’, en slechts de ‘volledige vrije wil’ is een illusie. Dit gebrek aan stelligheid is wel verklaarbaar. Swaab is een groot voorstander van de autonomie van het individu en om die reden ook voorstander van legalisatie van stervenshulp aan mensen die hun leven voltooid achten. Ironisch genoeg heet het burgerinitiatief hiertoe dat hij ondersteunt ‘Uit vrije wil’.

Het recht op zelfbeschikking wordt ook sterk benadrukt in de bespreking van religie. Swaab maakt bezwaar tegen het inprenten van religie op jonge leeftijd. Kinderen zouden niet moet leren wat ze moeten denken, maar hoe ze kritisch moeten denken. In de volwassenheid kunnen ze dan hun eigen levensbeschouwelijke keuze maken. Evolutionair gezien zijn er volgens Swaab genoeg redenen om het bestaan van religie te verklaren, maar uiteindelijk beschouwt hij het als onaangenaam bijproduct. Zijn probleem met religie komt voort uit zijn overtuiging dat religie onherroepelijk met geweld gepaard gaat. In de voorbeelden die hij hiervan noemt verliest hij zich soms in onkiese formuleringen. Zo plaatst hij de kindoffers in het vroege Mexico op een lijn met de inentingspraktijken bij de bevindelijk gereformeerden in Nederland.

Op de genoemde filosofische en levensbeschouwelijke terreinen is Swaabs boek weinig vernieuwend. Ook de vraag hoe de hersenen nu precies geest en bewustzijn produceren wordt niet beantwoord, en het fascinerende gegeven dat andersoortige verklaringen dan puur biologische in de praktijk heel goed blijken te werken komt niet voldoende aan bod.

Dit alles neemt niet weg dat het boek op andere terreinen veel te bieden heeft. De aandacht voor de vroege ontwikkelingen van de hersenen en de bespreking van de structurele en functionele hersenverschillen in relatie tot onze seksuele oriëntatie is vernieuwend en meer dan welkom. Het boek in zijn geheel is vlot geschreven en erg toegankelijk. Swaabs prikkelende opstelling kan een goede aanjager zijn voor een bredere discussie over de implicaties en praktische toepassing van nieuwe kennis over de hersenen. Dit kan de maatschappij uiteindelijk ten goede komen. Spijtig is alleen dat verwijzingen en een literatuurlijst ontbreken, waardoor het moeilijk wordt Swaabs stellige claims en beweringen verder te onderzoeken.

Recensie van Dick Swaab, Wij zijn ons brein. Van baarmoeder tot alzheimer (Amsterdam / Antwerpen: Uitgeverij Contact 2010), 479 pagina’s ISBN 9789025435226
Eerder verschenen in Radix. Tijdschrift over geloof en wetenschap

Over de Auteurs: Julian Struijk