14 december 2023 / 

Socioloog ziet drempels voor gelovige wetenschapper

In series of films staan geloof en wetenschap nogal eens tegenover elkaar. In de praktijk zien mensen die tegenstelling vaak niet, blijkt uit onderzoek. Tegelijkertijd lijkt het voor actieve gelovigen in de VS wel lastiger om een carrière in de wetenschap op te bouwen, stelt Christopher P. Scheitle, Associate Professor Sociologie aan de West Virginia University.

Hij schrijft daarover voor de website The Conversation, waarop academici en journalisten samenwerken. Scheitle onderzocht de houding van 1300 studenten in Amerikaanse graduate schools op het terrein van biologie, scheikunde, natuurkunde, psychologie en sociologie. Dit gebeurde als onderdeel van een langer lopend project om de sociale dynamiek van geloof en wetenschap in kaart te brengen.

Religieus

Scheitle wijst op eerder onderzoek waaruit blijkt dat het Amerikaanse publiek geen conflict ziet tussen geloof en wetenschap. En voor mensen die wel problemen met wetenschap hebben gaan die doorgaans niet om de feiten, maar vooral over morele implicaties van onderzoek, of de manier waarop de wetenschap beleid beïnvloedt.

Van de studenten die Scheitle enquêteerde gaf 22 procent aan in God te geloven, terwijl 20 procent zichzelf omschreef als ‘zeer’ of ‘gemiddeld’ religieus. Die verhouding tussen gelovig en niet (of minder) gelovig is ook terug te vinden bij de wetenschappelijke staf, maar wijkt sterk af van het gemiddelde voor de VS, waar driekwart stelt dat religie tamelijk of zeer belangrijk voor hen is. De helft van alle Amerikanen gelooft in de ‘God van de Bijbel’.

Jong gezin

Gelovigen vormen in de maatschappij als geheel dus een meerderheid, maar zijn op universiteiten in de minderheid. Gelovige studenten krijgen te maken met een cultuur die er vanuit gaat dat iedereen in het lab of de collegezaal ongelovig is. Beledigende of vijandige uitspraken over religie komen regelmatig voor, zo blijkt uit het onderzoek van Scheitle. Studenten komen daardoor niet gemakkelijk uit voor hun geloof.

Daarnaast speelt er nog iets mee: Gelovige studenten of wetenschappers krijgen eerder kinderen en geven gezinsleven meer prioriteit dan hun minder gelovige medestudenten en collega’s. Dat is lastig bij het opbouwen van een carrière. Beginnende wetenschappers hebben bovendien vaak een serie tijdelijke aanstelling aan verschillende universiteiten, en ook als ze een vaste aanstelling krijgen is dat onder bepaalde prestatie-voorwaarden. Voor een jong gezin is zo’n traject extra zwaar.

Diversiteit

Volgens Scheitle is er bij universiteiten te weinig aandacht voor dit soort sociologische hindernissen voor gelovige wetenschappers. En omdat Afro-Amerikaanse studenten vaker gelovig zijn dan witte studenten (23 versus 7,3 procent) kan dit leiden tot een slechtere positie voor minderheden op de universiteit. Scheitle stelt dat aandacht voor ‘religieuze diversiteit’ goed zo zijn voor de wetenschappelijk gemeenschap: doordat christelijke wetenschappers meer prioriteit leggen bij een goede balans tussen werk en gezinsleven zou een toename van hun aantal kunnen leiden tot meer aandacht voor die balans, wat gunstig is voor alle wetenschappers.

Daarnaast kunnen volgens Scheitle gelovige wetenschappers een brugfunctie vervullen tussen wetenschap en de gelovige gemeenschappen waaruit zij afkomstig zijn. Het is dan ook belangrijk voor het onderwijs aan gevorderde studenten dat er niet denigrerend wordt gedaan over geloof – iets dat uiteindelijk voor een op de vijf studenten belangrijk is.

Christopher P. Scheitle schreef over zijn onderzoek het boek The Faithful Scientist: Experiences of Anti-Religious Bias in Scientific Training. (NYU Press)
Bron: The Conversation