Home » Dossier » Filosofie » Sarot, De goddeloosheid van de wetenschap (2006)

Sarot, De goddeloosheid van de wetenschap (2006)

By | Categorieën: Boekrecensies, Filosofie | Gepubliceerd Op: 25 maart 2012 | 7.9 min read |

In het huis van de universiteit hebben de meest uiteenlopende wetenschappen hun onderdak gevonden.

Wanneer we door de gangen lopen, bemerken we al snel dat er veel bedrijvigheid is. Links vliegt een reageerbuisje door de lucht dat zojuist nog deel uitmaakte van een inmiddels mislukt experiment. Rechts vindt een stevig debat plaats tussen enkele sociologen en een geïnteresseerde jurist. Ergens uit de kelder klinkt een gepassioneerd “Eureka!” (“Ik heb iets gevonden!”), dat door een net passerende hoogleraar psychiatrie in een dichterlijke bui wordt gerelativeerd: “Wie wat vindt heeft slecht gezocht.”

Op een van de bovenste etages zit een apart volk. Volgens henzelf wonen en werken zij er al vanaf het allereerste begin. Ze schijnen ‘het hogere’ te zoeken en noemen zich ‘theologen’. Tussen hen en de andere wetenschappers botert het niet altijd. Ze zouden zich niet aan de regels houden en misbruik maken van de (afwezigheid van) resultaten in andere wetenschappen. Sommige theologen uiten het verwijt dat veel wetenschappers ondanks hun objectieve pretenties wel degelijk vanuit bepaalde levensovertuigingen te werk gaan. Vaak mengt zich dan een soort mediator in dit soort discussies. Hij helpt om orde op zaken te stellen en slaagt daar vaak in doordat hij zowel thuis is in de (wetenschaps)filosofie als in de theologie. Wijsgerige theologie is zijn vakgebied en zijn inbreng wordt meestal zeer op prijs gesteld.

Marcel Sarot is zo’n wijsgerig theoloog. Hij ontving zijn scholing van Vincent Brümmer, de founding father van wat de Utrechtse School is gaan heten. Sinds enige tijd vervult hij de functie van bijzonder hoogleraar vanwege het Utrechts Universiteitsfonds met als leeropdracht ‘De theologie als wetenschapsgebied’. Dat thema staat dan ook centraal in zijn nieuwste boek, De goddeloosheid van de wetenschap. In dit boek pleit hij voor methodologisch atheïsme, het ontkennen van God als onderdeel van een wetenschappelijke methode (etsi Deus non daretur). Alleen op die manier kunnen de wetenschappen vruchtbaar werk leveren.

Methodologisch atheïsme

Met zijn pleidooi voor methodologisch atheïsme richt hij zich naar twee fronten. Allereerst neemt hij de wind uit de zeilen van allerlei al te gretige theologen die in (natuur)wetenschappelijke theorieën naarstig zoeken naar een aanknopingspunt voor de theologie. Denk aan de gevallen waarin de medische wetenschap geen verklaring kan leveren voor een plotselinge genezing. Sommige theologen en christelijke wetenschappers concluderen dan dat er sprake is van een wonderlijk ingrijpen van God. Zij komen hiertoe door aan het geloof het primaat toe te kennen boven de rede (fideïsme).

Het andere front bestaat uit wetenschappers die menen dat de wetenschap al onze vragen beantwoordt, dus ook levensbeschouwelijke vragen. De wetenschap ontmaskert het geloof als een illusie waaruit de mens door de wetenschap bevrijd moet worden (sciëntisme). Tussen deze twee extremen zoekt Sarot een weg. De wetenschap is de afgelopen eeuwen zo invloedrijk geworden dat alles wat niet wetenschappelijk bewezen of verklaard kan worden meteen irrelevant lijkt. Door de wetenschap op haar grenzen te wijzen levert Sarot kritiek op het levensbeschouwelijk atheïsme. Volgens hem hoeft wetenschappelijk atheïsme niet te leiden tot levensbeschouwelijk atheïsme.

Sarot bespreekt een aantal onderzoeksvelden waarop zowel fideïsten als sciëntisten te voorbarige conclusies trekken. Zo is in vergelijkend onderzoek naar de hersenactiviteit van gelovigen en ongelovigen het zogenaamde ‘reli-lobje’ ontdekt, een deel van de hersenen dat actief is bij religieuze ervaringen. Ondanks de complexiteit van de neurologische interpretatie van wat zich in de hersenen voordoet bij religieuze ervaringen, concluderen sommigen dat het geloof niet meer dan een product van de hersenactiviteit is en dat daarom het geloof in een transcendente God afgewezen moet worden. Maar, zo stelt Sarot, ook bij het zien en ruiken van een heerlijke punt appeltaart kan een bepaalde hersenactiviteit worden gemeten, en dat sluit het bestaan van die appeltaart allerminst uit. De tegenovergestelde conclusie is dat gelovigen ‘voller’ mens zijn omdat zij een deel van de hersenen gebruiken dat bij ongelovigen in onbruik is. Hier ligt het volgens Sarot nog wat complexer. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van onjuiste visuele waarneming of van verkeerde interpretatie van die waarneming. Kortom, directe theologische consequenties met betrekking tot de betrouwbaarheid van religieuze ervaringen kunnen niet getrokken worden.

 

Handelen van God

Een van de belangrijkste vragen voor Sarot is of het handelen van God empirisch waarneembaar is. Een voorbeeld van onderzoek hiernaar is het onderzoek naar het effect van bidden. Er is eens in een ziekenhuis een onderzoek gedaan waarin bepaalde zieken in twee groepen verdeeld werden. Voor de ene groep werd met grote regelmaat gebeden door een aantal gelovigen, voor de andere groep niet. Zelfs uit de minieme verschillen die gemeten werden, werd geconcludeerd dat het gebed toch een zeker effect gehad had. Volgens Sarot zijn deze conclusies ongegrond, bijvoorbeeld omdat de activiteit van het bidden niet goed omschreven was. Er werd geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat bijvoorbeeld gelovige familieleden en vrienden van de tweede groep ook gebeden hadden. Verder was er veel onhelderheid rond de groep biddende gelovigen: baden ze thuis of in een kerk? Baden ze samen of individueel? Wat bedoelt de onderzoeker wanneer deze zegt dat zij ‘wedergeboren christenen’ waren en hoe is dat vastgesteld? Wat geloofden deze mensen zelf met betrekking tot de effectiviteit van het gebed? Ook is onhelder welke soorten effecten relevant werden geacht (volledige genezing, een lichte vooruitgang, een toegenomen rust, aanvaarding van de ziekte etc.). Door deze grote onhelderheid levert dit onderzoek volgens Sarot geen wetenschappelijk bewijs dat het gebed effectief is, terwijl evenmin kan worden gezegd dat het gebed géén effect heeft.

Zoals gezegd hoeft methodologisch atheïsme volgens Sarot niet te leiden tot levensbeschouwelijk atheïsme. Integendeel, hij wijst erop dat de wetenschappen juist in het Westen zo’n sterke ontwikkeling konden doormaken vanwege hun christelijke wortels. In de christelijke theologie wordt benadrukt dat de schepping onderzocht mag worden, dat dit kan en dat het goed is dit te doen (118-121; vgl. 63). Sarot geeft voor deze stellingen een korte onderbouwing die veel hout snijdt. De werkelijkheid kan bijvoorbeeld daadwerkelijk onderzocht worden, omdat de werkelijkheid geschapen is door een intelligentie die ons ver te boven gaat. Daardoor voltrekken natuurlijke processen zich volgens natuurwetten, waardoor de werkelijkheid open komt te liggen voor onderzoek.

Vragen

Waar ik nog over zit te peinzen is of de werkelijkheid, zoals Sarot zegt, “een eigenstandige natuur” (119) heeft en wat de betekenis van Gods openbaring in Christus is voor ons kennen van de werkelijkheid. Ik moet denken aan een uitspraak van Paulus, die zegt dat de Zoon de “eerstgeborene van heel de schepping (is): in hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare.” (Kolossenzen 1,15v.) Hieruit zou je kunnen concluderen dat de werkelijkheid wel degelijk iets goddelijks heeft. Sarot wijst zelf weliswaar al op het gevaar van een te radicale ontgoddelijking (133), maar moet in het licht van de christelijke traditie niet gesteld worden dat de werkelijkheid ten diepste alleen vanuit Gods openbaring in Christus gekend kan worden?

De laatste woorden van het aangehaalde gedeelte uit Kolossenzen (vgl. de Geloofsbelijdenis van Nicea) brengen me tot het stellen van een andere vraag. Wanneer Sarot over de wetenschappen spreekt, gaat het grotendeels over de natuurwetenschappen. Dit is niet vreemd aangezien dit de focus is van veel theologen uit de Utrechtse School. Daardoor ontstaat echter de indruk dat de werkelijkheid slechts bestaat uit het natuurlijke en zichtbare. Maar in allerlei wetenschappelijke disciplines worden ook culturele, ‘onzichtbare’ fenomenen onderzocht. Sommige wetenschappers relativeren of deconstrueren zelfs de scheiding tussen natuur en cultuur. Het lijkt erop dat het vele werk dat gedaan wordt in bijvoorbeeld de cultuurfilosofie, de genderwetenschappen of de psychoanalyse, niet voldoet aan de wetenschappelijke criteria die Sarot hanteert. Al lezend bekruipt mij tevens het gevoel dat ook de theologie, waarin (ook) met de geesteswetenschappen uiteenlopende dialogen gevoerd worden, teveel begrensd wordt. Sarot zoekt zoals gezegd een weg tussen fideïsme en sciëntisme door te stellen dat de (natuur)wetenschap zich hoofdzakelijk met de feiten bezighoudt, terwijl de theologie antwoorden zoekt op zinvragen (128v.). Hoewel het te ver voert hier uitvoerig op in te gaan, lijkt het mij het overwegen waard de act van het ‘duiden’ niet alleen aan de theologie maar aan alle wetenschappen toe te schrijven.

Datgene wat ik van Utrechtse theologen heb gelezen is gedegen en verhelderend, en dat geldt zeker ook voor dit boek. Tegelijkertijd moet ik denken aan een kritische opmerking die Hans Burger vorig jaar maakte in zijn Radix-recensie van Ultiem geluk van Vincent Brümmer, de leermeester van Sarot. Daarin zegt hij dat Brümmer in diens bespreking van de triniteitsleer de Oude Kerk als filosoof benadert, maar te weinig oog heeft voor de theologische argumenten die een doorslaggevende rol spelen (Radix 32(2): 116). Ik erken de waarde van consistentie en coherentie binnen het wetenschappelijk onderzoek, ook binnen de theologie. Maar het gevaar is aanwezig dat de wijsgerige theologie zo vooral een wijsgerige theologie is, met een wijsgerige benadering van theologische vragen.

Het is duidelijk dat Sarot me aan het denken heeft gezet over elementaire zaken en dat is een compliment voor deze studie. Zijn kennis van uiteenlopende discussies (van hersenonderzoek tot het nieuwtestamentische onderzoek naar de opstanding van Christus) en benaderingen (van het darwinisme tot de Reformed Epistemology) is indrukwekkend. Hij roept theologen en andere wetenschappers op tal van punten op tot bescheidenheid en schept tegelijkertijd een ruimte tot vrijmoedig onderzoek.

Recensie van; Marcel Sarot, De goddeloosheid van de wetenschap. Theologie, geloof en het gangbare wetenschapsideaal (Zoetermeer: Meinema 2006), 159 pagina’s, ISBN 9021141337
Eerder verschenen in Radix

Over de Auteurs: Marco Derks

Home » Dossier » Filosofie » Sarot, De goddeloosheid van de wetenschap (2006)

Sarot, De goddeloosheid van de wetenschap (2006)

By | Categorieën: Boekrecensies, Filosofie | Gepubliceerd Op: 25 maart 2012 | 7.9 min read |

In het huis van de universiteit hebben de meest uiteenlopende wetenschappen hun onderdak gevonden.

Wanneer we door de gangen lopen, bemerken we al snel dat er veel bedrijvigheid is. Links vliegt een reageerbuisje door de lucht dat zojuist nog deel uitmaakte van een inmiddels mislukt experiment. Rechts vindt een stevig debat plaats tussen enkele sociologen en een geïnteresseerde jurist. Ergens uit de kelder klinkt een gepassioneerd “Eureka!” (“Ik heb iets gevonden!”), dat door een net passerende hoogleraar psychiatrie in een dichterlijke bui wordt gerelativeerd: “Wie wat vindt heeft slecht gezocht.”

Op een van de bovenste etages zit een apart volk. Volgens henzelf wonen en werken zij er al vanaf het allereerste begin. Ze schijnen ‘het hogere’ te zoeken en noemen zich ‘theologen’. Tussen hen en de andere wetenschappers botert het niet altijd. Ze zouden zich niet aan de regels houden en misbruik maken van de (afwezigheid van) resultaten in andere wetenschappen. Sommige theologen uiten het verwijt dat veel wetenschappers ondanks hun objectieve pretenties wel degelijk vanuit bepaalde levensovertuigingen te werk gaan. Vaak mengt zich dan een soort mediator in dit soort discussies. Hij helpt om orde op zaken te stellen en slaagt daar vaak in doordat hij zowel thuis is in de (wetenschaps)filosofie als in de theologie. Wijsgerige theologie is zijn vakgebied en zijn inbreng wordt meestal zeer op prijs gesteld.

Marcel Sarot is zo’n wijsgerig theoloog. Hij ontving zijn scholing van Vincent Brümmer, de founding father van wat de Utrechtse School is gaan heten. Sinds enige tijd vervult hij de functie van bijzonder hoogleraar vanwege het Utrechts Universiteitsfonds met als leeropdracht ‘De theologie als wetenschapsgebied’. Dat thema staat dan ook centraal in zijn nieuwste boek, De goddeloosheid van de wetenschap. In dit boek pleit hij voor methodologisch atheïsme, het ontkennen van God als onderdeel van een wetenschappelijke methode (etsi Deus non daretur). Alleen op die manier kunnen de wetenschappen vruchtbaar werk leveren.

Methodologisch atheïsme

Met zijn pleidooi voor methodologisch atheïsme richt hij zich naar twee fronten. Allereerst neemt hij de wind uit de zeilen van allerlei al te gretige theologen die in (natuur)wetenschappelijke theorieën naarstig zoeken naar een aanknopingspunt voor de theologie. Denk aan de gevallen waarin de medische wetenschap geen verklaring kan leveren voor een plotselinge genezing. Sommige theologen en christelijke wetenschappers concluderen dan dat er sprake is van een wonderlijk ingrijpen van God. Zij komen hiertoe door aan het geloof het primaat toe te kennen boven de rede (fideïsme).

Het andere front bestaat uit wetenschappers die menen dat de wetenschap al onze vragen beantwoordt, dus ook levensbeschouwelijke vragen. De wetenschap ontmaskert het geloof als een illusie waaruit de mens door de wetenschap bevrijd moet worden (sciëntisme). Tussen deze twee extremen zoekt Sarot een weg. De wetenschap is de afgelopen eeuwen zo invloedrijk geworden dat alles wat niet wetenschappelijk bewezen of verklaard kan worden meteen irrelevant lijkt. Door de wetenschap op haar grenzen te wijzen levert Sarot kritiek op het levensbeschouwelijk atheïsme. Volgens hem hoeft wetenschappelijk atheïsme niet te leiden tot levensbeschouwelijk atheïsme.

Sarot bespreekt een aantal onderzoeksvelden waarop zowel fideïsten als sciëntisten te voorbarige conclusies trekken. Zo is in vergelijkend onderzoek naar de hersenactiviteit van gelovigen en ongelovigen het zogenaamde ‘reli-lobje’ ontdekt, een deel van de hersenen dat actief is bij religieuze ervaringen. Ondanks de complexiteit van de neurologische interpretatie van wat zich in de hersenen voordoet bij religieuze ervaringen, concluderen sommigen dat het geloof niet meer dan een product van de hersenactiviteit is en dat daarom het geloof in een transcendente God afgewezen moet worden. Maar, zo stelt Sarot, ook bij het zien en ruiken van een heerlijke punt appeltaart kan een bepaalde hersenactiviteit worden gemeten, en dat sluit het bestaan van die appeltaart allerminst uit. De tegenovergestelde conclusie is dat gelovigen ‘voller’ mens zijn omdat zij een deel van de hersenen gebruiken dat bij ongelovigen in onbruik is. Hier ligt het volgens Sarot nog wat complexer. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van onjuiste visuele waarneming of van verkeerde interpretatie van die waarneming. Kortom, directe theologische consequenties met betrekking tot de betrouwbaarheid van religieuze ervaringen kunnen niet getrokken worden.

 

Handelen van God

Een van de belangrijkste vragen voor Sarot is of het handelen van God empirisch waarneembaar is. Een voorbeeld van onderzoek hiernaar is het onderzoek naar het effect van bidden. Er is eens in een ziekenhuis een onderzoek gedaan waarin bepaalde zieken in twee groepen verdeeld werden. Voor de ene groep werd met grote regelmaat gebeden door een aantal gelovigen, voor de andere groep niet. Zelfs uit de minieme verschillen die gemeten werden, werd geconcludeerd dat het gebed toch een zeker effect gehad had. Volgens Sarot zijn deze conclusies ongegrond, bijvoorbeeld omdat de activiteit van het bidden niet goed omschreven was. Er werd geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat bijvoorbeeld gelovige familieleden en vrienden van de tweede groep ook gebeden hadden. Verder was er veel onhelderheid rond de groep biddende gelovigen: baden ze thuis of in een kerk? Baden ze samen of individueel? Wat bedoelt de onderzoeker wanneer deze zegt dat zij ‘wedergeboren christenen’ waren en hoe is dat vastgesteld? Wat geloofden deze mensen zelf met betrekking tot de effectiviteit van het gebed? Ook is onhelder welke soorten effecten relevant werden geacht (volledige genezing, een lichte vooruitgang, een toegenomen rust, aanvaarding van de ziekte etc.). Door deze grote onhelderheid levert dit onderzoek volgens Sarot geen wetenschappelijk bewijs dat het gebed effectief is, terwijl evenmin kan worden gezegd dat het gebed géén effect heeft.

Zoals gezegd hoeft methodologisch atheïsme volgens Sarot niet te leiden tot levensbeschouwelijk atheïsme. Integendeel, hij wijst erop dat de wetenschappen juist in het Westen zo’n sterke ontwikkeling konden doormaken vanwege hun christelijke wortels. In de christelijke theologie wordt benadrukt dat de schepping onderzocht mag worden, dat dit kan en dat het goed is dit te doen (118-121; vgl. 63). Sarot geeft voor deze stellingen een korte onderbouwing die veel hout snijdt. De werkelijkheid kan bijvoorbeeld daadwerkelijk onderzocht worden, omdat de werkelijkheid geschapen is door een intelligentie die ons ver te boven gaat. Daardoor voltrekken natuurlijke processen zich volgens natuurwetten, waardoor de werkelijkheid open komt te liggen voor onderzoek.

Vragen

Waar ik nog over zit te peinzen is of de werkelijkheid, zoals Sarot zegt, “een eigenstandige natuur” (119) heeft en wat de betekenis van Gods openbaring in Christus is voor ons kennen van de werkelijkheid. Ik moet denken aan een uitspraak van Paulus, die zegt dat de Zoon de “eerstgeborene van heel de schepping (is): in hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare.” (Kolossenzen 1,15v.) Hieruit zou je kunnen concluderen dat de werkelijkheid wel degelijk iets goddelijks heeft. Sarot wijst zelf weliswaar al op het gevaar van een te radicale ontgoddelijking (133), maar moet in het licht van de christelijke traditie niet gesteld worden dat de werkelijkheid ten diepste alleen vanuit Gods openbaring in Christus gekend kan worden?

De laatste woorden van het aangehaalde gedeelte uit Kolossenzen (vgl. de Geloofsbelijdenis van Nicea) brengen me tot het stellen van een andere vraag. Wanneer Sarot over de wetenschappen spreekt, gaat het grotendeels over de natuurwetenschappen. Dit is niet vreemd aangezien dit de focus is van veel theologen uit de Utrechtse School. Daardoor ontstaat echter de indruk dat de werkelijkheid slechts bestaat uit het natuurlijke en zichtbare. Maar in allerlei wetenschappelijke disciplines worden ook culturele, ‘onzichtbare’ fenomenen onderzocht. Sommige wetenschappers relativeren of deconstrueren zelfs de scheiding tussen natuur en cultuur. Het lijkt erop dat het vele werk dat gedaan wordt in bijvoorbeeld de cultuurfilosofie, de genderwetenschappen of de psychoanalyse, niet voldoet aan de wetenschappelijke criteria die Sarot hanteert. Al lezend bekruipt mij tevens het gevoel dat ook de theologie, waarin (ook) met de geesteswetenschappen uiteenlopende dialogen gevoerd worden, teveel begrensd wordt. Sarot zoekt zoals gezegd een weg tussen fideïsme en sciëntisme door te stellen dat de (natuur)wetenschap zich hoofdzakelijk met de feiten bezighoudt, terwijl de theologie antwoorden zoekt op zinvragen (128v.). Hoewel het te ver voert hier uitvoerig op in te gaan, lijkt het mij het overwegen waard de act van het ‘duiden’ niet alleen aan de theologie maar aan alle wetenschappen toe te schrijven.

Datgene wat ik van Utrechtse theologen heb gelezen is gedegen en verhelderend, en dat geldt zeker ook voor dit boek. Tegelijkertijd moet ik denken aan een kritische opmerking die Hans Burger vorig jaar maakte in zijn Radix-recensie van Ultiem geluk van Vincent Brümmer, de leermeester van Sarot. Daarin zegt hij dat Brümmer in diens bespreking van de triniteitsleer de Oude Kerk als filosoof benadert, maar te weinig oog heeft voor de theologische argumenten die een doorslaggevende rol spelen (Radix 32(2): 116). Ik erken de waarde van consistentie en coherentie binnen het wetenschappelijk onderzoek, ook binnen de theologie. Maar het gevaar is aanwezig dat de wijsgerige theologie zo vooral een wijsgerige theologie is, met een wijsgerige benadering van theologische vragen.

Het is duidelijk dat Sarot me aan het denken heeft gezet over elementaire zaken en dat is een compliment voor deze studie. Zijn kennis van uiteenlopende discussies (van hersenonderzoek tot het nieuwtestamentische onderzoek naar de opstanding van Christus) en benaderingen (van het darwinisme tot de Reformed Epistemology) is indrukwekkend. Hij roept theologen en andere wetenschappers op tal van punten op tot bescheidenheid en schept tegelijkertijd een ruimte tot vrijmoedig onderzoek.

Recensie van; Marcel Sarot, De goddeloosheid van de wetenschap. Theologie, geloof en het gangbare wetenschapsideaal (Zoetermeer: Meinema 2006), 159 pagina’s, ISBN 9021141337
Eerder verschenen in Radix

Over de Auteurs: Marco Derks