Home » Opinie » Roger Penrose over wiskunde, werkelijkheid en God

Roger Penrose over wiskunde, werkelijkheid en God

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 11 mei 2015 | 5.5 min read |

Wat is werkelijkheid? Over die vraag buigt Roger Penrose zich in zijn boek The Road to Reality (de weg naar de werkelijkheid) uit 2004. Kan Penrose’s wiskundige visie op de werkelijkheid een nieuw licht werpen op de discussie over geloof en wetenschap?

 

Weg naar de werkelijkheid

Sir Roger Penrose (°1931) is een Brits wiskundige en natuurkundige die vooral bekend is geworden door zijn baanbrekend werk op het gebied van kosmologie en relativiteitstheorie, waarbij hij samenwerkte met Stephen Hawking.[1] In het meer dan 1100 bladzijden tellende The Road to Reality gaat Penrose uitgebreid in op een breed scala aan onderwerpen uit de hedendaagse fysica, van het standaardmodel van de deeltjesfysica over algemene relativiteitstheorie, kwantummechanica en de oerknaltheorie tot zijn eigen benadering, de twistortheorie, om tenslotte uit te komen bij de vraag ‘Wat is werkelijkheid?’.

Rode draad

De rode draad in de visie van Penrose is de vaststelling dat alles in de fysische werkelijkheid aan zeer strikte wiskundige principes lijkt te beantwoorden, met een precisie die elke verbeelding ver overtreft.[2] Het meest spectaculaire voorbeeld dat Penrose geeft is PSR B1913+16, twee zeer compacte neutronensterren die om elkaar heen draaien. Bij het zeer nauwkeurig meten van het kleiner worden van hun omloopbaan (door het uitzenden van zwaartekrachtgolven) is er een overeenstemming bereikt tussen waarneming en de voorspelde waarde uit de algemene relativiteitstheorie tot op maar liefst 14 decimalen nauwkeurig.[3]

Diep mysterie

Waarom er zulk een onvoorstelbaar precieze overeenkomst is tussen de fysische werkelijkheid en zeer gesofisticeerde wiskundige modellen is voor Penrose een diep mysterie waarvoor hij geen antwoord heeft. Maar het idee dat wiskunde een soort van mentaal net zou zijn dat wij over de werkelijkheid uitwerpen om onze ervaringen te ordenen lijkt Penrose in het licht van deze ontdekkingen bijzonder onwaarschijnlijk.[4] De fysische werkelijkheid identificeren met een abstracte, platonische werkelijkheid van wiskundige vormen is voor Penrose een brug te ver. Maar “hoe dieper we doordringen in de geheimen van de natuur, des te sterker worden we gedreven naar Plato’s wereld van wiskundige ideeën”, “alsof daar de ‘werkelijkheid’ te vinden is”, aldus Penrose.[5]

En God?

Wat hebben deze bespiegelingen uit The Road to Reality te maken met het thema ‘geloof en wetenschap’? Op het eerste gezicht niets. Afgezien van één enkele uitzondering verwijst Penrose in dit lijvige werk nergens naar God.[6] Maar precies dit gegeven werpt een verrassend licht op de thematiek. Want het feit dat een van de meest gerenommeerde wetenschappers van deze tijd erin slaagt een werk van deze omvang over de hedendaagse visie op de werkelijkheid te schrijven zonder ook maar één regel aandacht te besteden aan dit thema zegt op zich heel veel. Het zal je moeilijk vallen in de talrijke boeken, artikels en interviews van Penrose beschouwingen over God, geloof en wetenschap te vinden. Zelfs wanneer men hem er expliciet naar vraagt, blijft hij erg karig met zijn antwoorden. Op de vraag in een interview uit 2005 of zijn wetenschappelijk werk enige invloed op zijn geloof in God had gehad, antwoordde Penrose:

“God is een beetje een slecht gedefinieerd begrip en ik geloof alleszins niet in de traditionele opvatting van God zoals de meeste mensen dit delen […] Wetenschap mag dan wel haar grenzen kennen, maar als je wilt weten wat er waar is in de wereld, moet je je op een wetenschappelijke methode beroepen. Je kan ook op zoek gaan naar waarheid in oude boeken. Die oude boeken hebben misschien iets belangrijks te zeggen, maar de schrijvers ervan hadden niet noodzakelijk de kennis die de hedendaagse wetenschap heeft.”[7]

Wetenschap en de ‘ultieme realiteit’

Roger Penrose staat open voor het mysterie, maar op een andere manier dan men in gelovige kringen misschien gewend is. Bij Penrose zal je vruchteloos op zoek gaan naar filosofische of theologische discussies over de ‘ultieme realiteit’. Geen zorgvuldige analyses van argumenten en tegenargumenten van filosofen en theologen over wat deze van zijn visie zouden mogen denken. Penrose ontkent nergens expliciet het bestaan van God. Maar hij is daar gewoon niet mee bezig, het bestaan van God is niet vereist in zijn wereldbeeld. Ernaar gevraagd zou hij wellicht, zoals eertijds Pierre-Simon de Laplace, kunnen antwoorden dat hij de hypothese ‘God’ niet nodig heeft.[8]

Continentendrift

Hoe druk sommige filosofen en theologen zich ook mogen maken over een visie als die van Penrose, het cruciale punt van verschil zit in het feit dat Penrose zelf zich daar niet mee bezighoudt. In plaats van botsingen van wereldbeelden (bijvoorbeeld tussen naturalistische en theïstische benaderingen van de werkelijkheid) zien we hier eerder een “continentendrift”. De wereld van de moderne wetenschap en die van de traditionele filosofie en theologie (deze laatste vaak nog in een aristoteliaans denkkader) drijven langzaam maar zeker steeds verder uit elkaar. Religieus geïnspireerde verklaringen van de werkelijkheid worden niet weerlegd, maar verdwijnen langzamerhand in de schaduw. Wat betekent dit voor de discussie over de rol van God in de fysische werkelijkheid? De vraag is niet zozeer of God al dan niet bestaat – God mag best bestaan – maar eerder: heeft het heelal God wel nodig? Het ziet er hoe langer hoe minder naar uit.

Noten:
[1] Zie bv. Stephen Hawking & Roger Penrose, The Nature of Space and Time, Princeton, Princeton University Press, 1996.
[2] Zo komt de experimenteel gemeten waarde van het magnetisch moment van een elektron overeen met de theoretisch voorspelde waarde overeen tot op 11 decimalen nauwkeurig. Richard Feynman vergeleek dit met het meten van de afstand van New York tot Los Angeles tot op de dikte van een mensenhaar nauwkeurig (in QED. The Strange Theory of Light and Matter, Princeton, Princeton University Press, 1985 (repr. 2006), p. 7).
[3] Om een idee te geven van wat dat betekent: 1 op 10^14, dat is tien miljoen maal nauwkeuriger dan de precisie van Newtons zwaartekrachttheorie in het beschrijven van de bewegingen van de hemellichamen in ons zonnestelsel (“slechts” 1 op 107). Voor deze ontdekking kregen Joe Taylor en Russell Hulse in 1993 de Nobelprijs voor natuurkunde.
[4] Roger Penrose, The Road to Reality. A Complete Guide to the Laws of the Universe, London, Jonathan Cape, 2004, p. 1027.
[5] Roger Penrose, ibid., p. 1028-1029, mijn vertaling.
[6] Roger Penrose, ibid., p. 754, waar hij de uitdrukking ‘act of God’ gebruikt in een eerder retorische vraag naar de precieze beginvoorwaarden aan het begin van ons heelal, op het moment van de oerknal.
[7] Bram Delen & Wim Gemoets, Penrose: schaken, computers en wc-papier, in Veto, jaargang 31, nummer 13, 14 februari 2005, p. 7.
[8] Naar de beruchte uitspraak van Laplace, toen Napoleon hem vroeg waarom de naam van God niet voorkwam in zijn werk over hemelmechanica: “Citoyen premier Consul, je n’ai pas eu besoin de cette hypothèse.”

Beeld: Biswarup Ganguly/Wikipedia

Over de Auteurs: Alexander van Biezen

Home » Opinie » Roger Penrose over wiskunde, werkelijkheid en God

Roger Penrose over wiskunde, werkelijkheid en God

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 11 mei 2015 | 5.5 min read |

Wat is werkelijkheid? Over die vraag buigt Roger Penrose zich in zijn boek The Road to Reality (de weg naar de werkelijkheid) uit 2004. Kan Penrose’s wiskundige visie op de werkelijkheid een nieuw licht werpen op de discussie over geloof en wetenschap?

 

Weg naar de werkelijkheid

Sir Roger Penrose (°1931) is een Brits wiskundige en natuurkundige die vooral bekend is geworden door zijn baanbrekend werk op het gebied van kosmologie en relativiteitstheorie, waarbij hij samenwerkte met Stephen Hawking.[1] In het meer dan 1100 bladzijden tellende The Road to Reality gaat Penrose uitgebreid in op een breed scala aan onderwerpen uit de hedendaagse fysica, van het standaardmodel van de deeltjesfysica over algemene relativiteitstheorie, kwantummechanica en de oerknaltheorie tot zijn eigen benadering, de twistortheorie, om tenslotte uit te komen bij de vraag ‘Wat is werkelijkheid?’.

Rode draad

De rode draad in de visie van Penrose is de vaststelling dat alles in de fysische werkelijkheid aan zeer strikte wiskundige principes lijkt te beantwoorden, met een precisie die elke verbeelding ver overtreft.[2] Het meest spectaculaire voorbeeld dat Penrose geeft is PSR B1913+16, twee zeer compacte neutronensterren die om elkaar heen draaien. Bij het zeer nauwkeurig meten van het kleiner worden van hun omloopbaan (door het uitzenden van zwaartekrachtgolven) is er een overeenstemming bereikt tussen waarneming en de voorspelde waarde uit de algemene relativiteitstheorie tot op maar liefst 14 decimalen nauwkeurig.[3]

Diep mysterie

Waarom er zulk een onvoorstelbaar precieze overeenkomst is tussen de fysische werkelijkheid en zeer gesofisticeerde wiskundige modellen is voor Penrose een diep mysterie waarvoor hij geen antwoord heeft. Maar het idee dat wiskunde een soort van mentaal net zou zijn dat wij over de werkelijkheid uitwerpen om onze ervaringen te ordenen lijkt Penrose in het licht van deze ontdekkingen bijzonder onwaarschijnlijk.[4] De fysische werkelijkheid identificeren met een abstracte, platonische werkelijkheid van wiskundige vormen is voor Penrose een brug te ver. Maar “hoe dieper we doordringen in de geheimen van de natuur, des te sterker worden we gedreven naar Plato’s wereld van wiskundige ideeën”, “alsof daar de ‘werkelijkheid’ te vinden is”, aldus Penrose.[5]

En God?

Wat hebben deze bespiegelingen uit The Road to Reality te maken met het thema ‘geloof en wetenschap’? Op het eerste gezicht niets. Afgezien van één enkele uitzondering verwijst Penrose in dit lijvige werk nergens naar God.[6] Maar precies dit gegeven werpt een verrassend licht op de thematiek. Want het feit dat een van de meest gerenommeerde wetenschappers van deze tijd erin slaagt een werk van deze omvang over de hedendaagse visie op de werkelijkheid te schrijven zonder ook maar één regel aandacht te besteden aan dit thema zegt op zich heel veel. Het zal je moeilijk vallen in de talrijke boeken, artikels en interviews van Penrose beschouwingen over God, geloof en wetenschap te vinden. Zelfs wanneer men hem er expliciet naar vraagt, blijft hij erg karig met zijn antwoorden. Op de vraag in een interview uit 2005 of zijn wetenschappelijk werk enige invloed op zijn geloof in God had gehad, antwoordde Penrose:

“God is een beetje een slecht gedefinieerd begrip en ik geloof alleszins niet in de traditionele opvatting van God zoals de meeste mensen dit delen […] Wetenschap mag dan wel haar grenzen kennen, maar als je wilt weten wat er waar is in de wereld, moet je je op een wetenschappelijke methode beroepen. Je kan ook op zoek gaan naar waarheid in oude boeken. Die oude boeken hebben misschien iets belangrijks te zeggen, maar de schrijvers ervan hadden niet noodzakelijk de kennis die de hedendaagse wetenschap heeft.”[7]

Wetenschap en de ‘ultieme realiteit’

Roger Penrose staat open voor het mysterie, maar op een andere manier dan men in gelovige kringen misschien gewend is. Bij Penrose zal je vruchteloos op zoek gaan naar filosofische of theologische discussies over de ‘ultieme realiteit’. Geen zorgvuldige analyses van argumenten en tegenargumenten van filosofen en theologen over wat deze van zijn visie zouden mogen denken. Penrose ontkent nergens expliciet het bestaan van God. Maar hij is daar gewoon niet mee bezig, het bestaan van God is niet vereist in zijn wereldbeeld. Ernaar gevraagd zou hij wellicht, zoals eertijds Pierre-Simon de Laplace, kunnen antwoorden dat hij de hypothese ‘God’ niet nodig heeft.[8]

Continentendrift

Hoe druk sommige filosofen en theologen zich ook mogen maken over een visie als die van Penrose, het cruciale punt van verschil zit in het feit dat Penrose zelf zich daar niet mee bezighoudt. In plaats van botsingen van wereldbeelden (bijvoorbeeld tussen naturalistische en theïstische benaderingen van de werkelijkheid) zien we hier eerder een “continentendrift”. De wereld van de moderne wetenschap en die van de traditionele filosofie en theologie (deze laatste vaak nog in een aristoteliaans denkkader) drijven langzaam maar zeker steeds verder uit elkaar. Religieus geïnspireerde verklaringen van de werkelijkheid worden niet weerlegd, maar verdwijnen langzamerhand in de schaduw. Wat betekent dit voor de discussie over de rol van God in de fysische werkelijkheid? De vraag is niet zozeer of God al dan niet bestaat – God mag best bestaan – maar eerder: heeft het heelal God wel nodig? Het ziet er hoe langer hoe minder naar uit.

Noten:
[1] Zie bv. Stephen Hawking & Roger Penrose, The Nature of Space and Time, Princeton, Princeton University Press, 1996.
[2] Zo komt de experimenteel gemeten waarde van het magnetisch moment van een elektron overeen met de theoretisch voorspelde waarde overeen tot op 11 decimalen nauwkeurig. Richard Feynman vergeleek dit met het meten van de afstand van New York tot Los Angeles tot op de dikte van een mensenhaar nauwkeurig (in QED. The Strange Theory of Light and Matter, Princeton, Princeton University Press, 1985 (repr. 2006), p. 7).
[3] Om een idee te geven van wat dat betekent: 1 op 10^14, dat is tien miljoen maal nauwkeuriger dan de precisie van Newtons zwaartekrachttheorie in het beschrijven van de bewegingen van de hemellichamen in ons zonnestelsel (“slechts” 1 op 107). Voor deze ontdekking kregen Joe Taylor en Russell Hulse in 1993 de Nobelprijs voor natuurkunde.
[4] Roger Penrose, The Road to Reality. A Complete Guide to the Laws of the Universe, London, Jonathan Cape, 2004, p. 1027.
[5] Roger Penrose, ibid., p. 1028-1029, mijn vertaling.
[6] Roger Penrose, ibid., p. 754, waar hij de uitdrukking ‘act of God’ gebruikt in een eerder retorische vraag naar de precieze beginvoorwaarden aan het begin van ons heelal, op het moment van de oerknal.
[7] Bram Delen & Wim Gemoets, Penrose: schaken, computers en wc-papier, in Veto, jaargang 31, nummer 13, 14 februari 2005, p. 7.
[8] Naar de beruchte uitspraak van Laplace, toen Napoleon hem vroeg waarom de naam van God niet voorkwam in zijn werk over hemelmechanica: “Citoyen premier Consul, je n’ai pas eu besoin de cette hypothèse.”

Beeld: Biswarup Ganguly/Wikipedia

Over de Auteurs: Alexander van Biezen