Home » Opinie » Religieonderzoek door gelovige wetenschappers?

Religieonderzoek door gelovige wetenschappers?

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 8 februari 2012 | 3.4 min read |

Eerlijk gezegd vind ik discussies van christenen over geloof en wetenschap niet zo boeiend. Debatten over schepping en evolutie interesseren me meer als antropoloog als object van onderzoek: wie voert de discussie, wat voor argumenten, wat staat er volgens de woordvoerders op het spel en waarom is het (nu) een issue?

Als religieonderzoeker is de relatie tussen geloof en wetenschap een gegeven. Tijdens mijn onderzoek naar evangelische kerken in Nederland is mij deze vraag herhaaldelijk gesteld, zowel door collega wetenschappers als gelovigen.

Binnen de antropologie is dit een bekende discussie in relatie tot de vraag naar de insider/outsider positie van de onderzoeker bij onderzoek. Wie is het meest gekwalificeerd om religie te begrijpen: een seculiere of een religieuze onderzoeker? De objectieve ‘outsider’ die wellicht onvoldoende in staat is om de ervaringen van gelovigen te begrijpen  of de subjectieve ‘insider’ die gelovigen van binnenuit begrijpt maar geen afstand kan bewaren ten aanzien van het onderwerp?

Intersubjectiviteit

Het idee van een neutrale, objectieve onderzoeker is in de antropologie passé. In zowel de observaties als in de interpretaties van onderzoekers is het een illusie dat de eigen subjectiviteit van de onderzoeker volledig uit te bannen is. Intersubjectiviteit, samenwerking met collega-onderzoekers  is daarom essentieel om bv. blinde vlekken te vermijden en persoonlijke agenda’s te ontmaskeren. Samenwerking tussen atheïstische, agnostische  en gelovige onderzoekers is daarom uitermate vruchtbaar en noodzakelijk. Dit impliceert dat de status van wetenschappelijke kennis  niet primair ligt in haar waarheidsvinding maar in de uitkomst van een debat, een ‘ongoing conversation’ tussen wetenschappers.

Dit debat is zeker spannend als religieonderzoekers een sterk reductionistische visie op religie hanteren, dat wil zeggen, een opvatting dat religie volledig te verklaren is door sociale en niet-religieuze verschijnselen. Voor mij is het juist de uitdaging om in religieonderzoek de menselijke en sociale aspecten van religie zo goed mogelijk te verhelderen en in kaart te brengen maar daarbij ruimte te laten voor datgene waar ik wetenschapper geen uitspraak over kan doen. Dat is wetenschap bedrijven in het besef van een open werkelijkheid, waarin de Geest van God betrokken aanwezig is.

Interpretatie

Anders dan in de exacte wetenschappen leent antropologie zich niet goed voor een positivistische opvatting van wetenschap. Kwalitatief onderzoek is in de eerste plaats interpretatief van aard  en laat zich niet uitdrukken in harde cijfers, causale verbanden en feiten. Antropologisch onderzoek biedt daarom niet een wetenschappelijke verklaring voor de werkelijkheid maar wel meer inzicht in de werkelijkheid door beleving, ervaringen en motieven voor gedrag en handelen te onderzoeken. De onderzoeker staat daarom nooit volledig buiten het  object van zijn of haar onderzoek.

Insider/outsider

In de praktijk van religieonderzoek speelt de positie van de onderzoeker een belangrijke rol. In een onderzoek naar evangelicals in de VS schrijft Susan Harding hoezeer zij als ‘outsider’ object van bekering was voor haar respondenten. In de interviews probeerde de respondenten haar ervan te overtuigen dat zij niet toevallig dit onderzoek deed maar dat God er een bedoeling mee had. Haar positie als niet-gelovige had grote consequenties voor het verkrijgen van haar onderzoeksmateriaal. In mijn onderzoek als ‘insider’ had ik te maken met heel andere kwesties. Mijn vraagstelling en  wijze van participatie leidde in het onderzoeksveld regelmatig tot verwarring. Ik vroeg naar kwesties die ik als ‘gelovige’ hoorde te weten waardoor mijn positie als gelovige in twijfel werd gebracht.  De percepties van de respondenten ten aanzien van de geloofsovertuigingen van de onderzoeker –  wel of niet gelovig – zijn dus van groot belang in religieonderzoek.

Positivistische werkelijkheid

Als antropoloog en theoloog valt het mij op dat het debat over geloof en wetenschap met name gevoerd wordt door exacte wetenschappers die zich moeten verhouden tot een positivistische wetenschapsopvatting. De apologetische verantwoording van hun geloof wordt vooral binnen deze positivistische werkelijkheid getrokken. Daar gaat naar mijn overtuiging iets wezenlijks mis. Juist de vooronderstellingen van een dergelijke wetenschapsopvatting en visie op de werkelijkheid met het daarbij horend waarheidsbegrip, moeten kritisch beoordeeld worden. Dan wordt het debat over geloof en wetenschap voor mij pas echt relevant.

Over de Auteurs: Miranda Klaver

Home » Opinie » Religieonderzoek door gelovige wetenschappers?

Religieonderzoek door gelovige wetenschappers?

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 8 februari 2012 | 3.4 min read |

Eerlijk gezegd vind ik discussies van christenen over geloof en wetenschap niet zo boeiend. Debatten over schepping en evolutie interesseren me meer als antropoloog als object van onderzoek: wie voert de discussie, wat voor argumenten, wat staat er volgens de woordvoerders op het spel en waarom is het (nu) een issue?

Als religieonderzoeker is de relatie tussen geloof en wetenschap een gegeven. Tijdens mijn onderzoek naar evangelische kerken in Nederland is mij deze vraag herhaaldelijk gesteld, zowel door collega wetenschappers als gelovigen.

Binnen de antropologie is dit een bekende discussie in relatie tot de vraag naar de insider/outsider positie van de onderzoeker bij onderzoek. Wie is het meest gekwalificeerd om religie te begrijpen: een seculiere of een religieuze onderzoeker? De objectieve ‘outsider’ die wellicht onvoldoende in staat is om de ervaringen van gelovigen te begrijpen  of de subjectieve ‘insider’ die gelovigen van binnenuit begrijpt maar geen afstand kan bewaren ten aanzien van het onderwerp?

Intersubjectiviteit

Het idee van een neutrale, objectieve onderzoeker is in de antropologie passé. In zowel de observaties als in de interpretaties van onderzoekers is het een illusie dat de eigen subjectiviteit van de onderzoeker volledig uit te bannen is. Intersubjectiviteit, samenwerking met collega-onderzoekers  is daarom essentieel om bv. blinde vlekken te vermijden en persoonlijke agenda’s te ontmaskeren. Samenwerking tussen atheïstische, agnostische  en gelovige onderzoekers is daarom uitermate vruchtbaar en noodzakelijk. Dit impliceert dat de status van wetenschappelijke kennis  niet primair ligt in haar waarheidsvinding maar in de uitkomst van een debat, een ‘ongoing conversation’ tussen wetenschappers.

Dit debat is zeker spannend als religieonderzoekers een sterk reductionistische visie op religie hanteren, dat wil zeggen, een opvatting dat religie volledig te verklaren is door sociale en niet-religieuze verschijnselen. Voor mij is het juist de uitdaging om in religieonderzoek de menselijke en sociale aspecten van religie zo goed mogelijk te verhelderen en in kaart te brengen maar daarbij ruimte te laten voor datgene waar ik wetenschapper geen uitspraak over kan doen. Dat is wetenschap bedrijven in het besef van een open werkelijkheid, waarin de Geest van God betrokken aanwezig is.

Interpretatie

Anders dan in de exacte wetenschappen leent antropologie zich niet goed voor een positivistische opvatting van wetenschap. Kwalitatief onderzoek is in de eerste plaats interpretatief van aard  en laat zich niet uitdrukken in harde cijfers, causale verbanden en feiten. Antropologisch onderzoek biedt daarom niet een wetenschappelijke verklaring voor de werkelijkheid maar wel meer inzicht in de werkelijkheid door beleving, ervaringen en motieven voor gedrag en handelen te onderzoeken. De onderzoeker staat daarom nooit volledig buiten het  object van zijn of haar onderzoek.

Insider/outsider

In de praktijk van religieonderzoek speelt de positie van de onderzoeker een belangrijke rol. In een onderzoek naar evangelicals in de VS schrijft Susan Harding hoezeer zij als ‘outsider’ object van bekering was voor haar respondenten. In de interviews probeerde de respondenten haar ervan te overtuigen dat zij niet toevallig dit onderzoek deed maar dat God er een bedoeling mee had. Haar positie als niet-gelovige had grote consequenties voor het verkrijgen van haar onderzoeksmateriaal. In mijn onderzoek als ‘insider’ had ik te maken met heel andere kwesties. Mijn vraagstelling en  wijze van participatie leidde in het onderzoeksveld regelmatig tot verwarring. Ik vroeg naar kwesties die ik als ‘gelovige’ hoorde te weten waardoor mijn positie als gelovige in twijfel werd gebracht.  De percepties van de respondenten ten aanzien van de geloofsovertuigingen van de onderzoeker –  wel of niet gelovig – zijn dus van groot belang in religieonderzoek.

Positivistische werkelijkheid

Als antropoloog en theoloog valt het mij op dat het debat over geloof en wetenschap met name gevoerd wordt door exacte wetenschappers die zich moeten verhouden tot een positivistische wetenschapsopvatting. De apologetische verantwoording van hun geloof wordt vooral binnen deze positivistische werkelijkheid getrokken. Daar gaat naar mijn overtuiging iets wezenlijks mis. Juist de vooronderstellingen van een dergelijke wetenschapsopvatting en visie op de werkelijkheid met het daarbij horend waarheidsbegrip, moeten kritisch beoordeeld worden. Dan wordt het debat over geloof en wetenschap voor mij pas echt relevant.

Over de Auteurs: Miranda Klaver