Home » Dossier » Geschiedenis » Recht doen aan de doden

Recht doen aan de doden

By | Categorieën: Geschiedenis, Opinie | Gepubliceerd Op: 6 oktober 2014 | 2.7 min read |

In 1692 verscheen bij de Amsterdamse drukker Tollens een anoniem geschrift met de titel ’t Fortuinlyk Wiel der Werelt-geschiedenis, een historisch overzicht van de opkomst en ondergang van alle toen bekende beschavingen, beschreven vanuit een Cartesiaans-Spinozistisch perspectief. Vrijwel direct na publicatie werd het naar “atheisterye”-neigende boek op verzoek van de algemene kerkenraad ter plaatse verboden door de Amsterdamse autoriteiten. De auteur, kort daarop geïdentificeerd als Nehemia Gentenaer, wachtte een levenslange opsluiting in het rasphuis, “om daer te komen to inkeer ende berouw”.

 

Geschiedvervalsing

Dit door Jonathan Israel in zijn Radical Enlightenment (2001) beschreven voorval riep bij mij de vraag op of er eigenlijk wel een objectieve geschiedschrijving bestaat. Zijn ten diepste niet alle beschrijvingen en duidingen van historische gebeurtenissen en denkbeelden bevooroordeeld? Natuurlijk, fraude komt bij mijn weten in de serieuze geschiedwetenschap nauwelijks tot nooit voor. Manipulaties en verzinsels (zoals het verhaal hierboven dat nergens in Israels boek te vinden is en even fictief is als de sprookjes van Grimm) zijn vooral de specialiteit van wanhopige sociale wetenschappers en natuurwetenschappers. Gevallen van plagiaat daargelaten, is het tegenwoordig in de geschiedwetenschap knap lastig om je schuldig te maken aan vervalsing.

Tegelijkertijd zijn er tal van aspecten aan het doen van historisch onderzoek die haar objectiviteit relativeren. Het selecteren van een onderzoeksthema (wat is het onderzoeken waard en wat niet?), het wegen van denkbeelden en gebeurtenissen (wat was van betekenis en wat niet?), en het werken met tijdvakken en periodiseringen (wat ligt in de lijn der verwachting en wat niet?) zijn slechts enkele voorbeelden van keuzes die maken dat subjectiviteit haar intrede doet. Wil de geschiedwetenschap uitstijgen boven het verstrekken van droge opsommingen van feiten, namen en jaartallen, dan zijn interpretaties, aannames en duidingen vereist. Dit, zo zouden we kunnen zeggen, is het noodlot van de menselijke vergeetachtigheid en inherent aan alle geschiedschrijving. Geschiedschrijving is, wil zij niet waardeloos zijn, onvermijdelijk waardegeladen.

Over de doden niets dan goeds

Deze kanttekening, die ten behoeve van de achteloze lezer eigenlijk bij al hun publicaties als bijsluiter moet worden opgenomen, ontslaat historici niet van een aantal wetenschappelijke deugden. Een streven naar een zo groot mogelijke objectiviteit, bijvoorbeeld, is toch wel het minste wat van hen mag worden verwacht. Vanuit de christelijke traditie klinkt bovendien nog het theologische gebod van de naastenliefde. De gereformeerde historicus A.Th. van Deursen wees erop dat deze liefde zich uitstrekt tot zowel de levenden als de doden. Historisch onderzoek, zo schreef hij ergens, is de nagedachtenis van de naaste in ere houden en het leven en denken van de stemlozen recht doen. Recht doen aan het verleden – door in de massa’s individuen te onderscheiden, te begrijpen wat medestanders en tegenstander bewoog, en oog te hebben voor het gewone en alledaagse naast het revolutionaire – zou het motto moeten zijn van alle historici.

Of er zoiets zou moeten worden beoefend als een christelijke geschiedschrijving weet ik niet. Wat ik wel weet is dat er zoiets bestaat als een seculier perspectief, een benadering die zich kenmerkt door een overmatige aandacht voor vrijdenken, ontkerstening en revolutie. Of de naastenliefde zich hiermee uitstrekt tot alle doden durf ik te betwijfelen. Wat Nehemia Gentenaer betreft is dit echter geen doodzonde, want die schrijver heeft nooit bestaan.

 

Over de Auteurs: Joost W. Hengstmengel

Home » Dossier » Geschiedenis » Recht doen aan de doden

Recht doen aan de doden

By | Categorieën: Geschiedenis, Opinie | Gepubliceerd Op: 6 oktober 2014 | 2.7 min read |

In 1692 verscheen bij de Amsterdamse drukker Tollens een anoniem geschrift met de titel ’t Fortuinlyk Wiel der Werelt-geschiedenis, een historisch overzicht van de opkomst en ondergang van alle toen bekende beschavingen, beschreven vanuit een Cartesiaans-Spinozistisch perspectief. Vrijwel direct na publicatie werd het naar “atheisterye”-neigende boek op verzoek van de algemene kerkenraad ter plaatse verboden door de Amsterdamse autoriteiten. De auteur, kort daarop geïdentificeerd als Nehemia Gentenaer, wachtte een levenslange opsluiting in het rasphuis, “om daer te komen to inkeer ende berouw”.

 

Geschiedvervalsing

Dit door Jonathan Israel in zijn Radical Enlightenment (2001) beschreven voorval riep bij mij de vraag op of er eigenlijk wel een objectieve geschiedschrijving bestaat. Zijn ten diepste niet alle beschrijvingen en duidingen van historische gebeurtenissen en denkbeelden bevooroordeeld? Natuurlijk, fraude komt bij mijn weten in de serieuze geschiedwetenschap nauwelijks tot nooit voor. Manipulaties en verzinsels (zoals het verhaal hierboven dat nergens in Israels boek te vinden is en even fictief is als de sprookjes van Grimm) zijn vooral de specialiteit van wanhopige sociale wetenschappers en natuurwetenschappers. Gevallen van plagiaat daargelaten, is het tegenwoordig in de geschiedwetenschap knap lastig om je schuldig te maken aan vervalsing.

Tegelijkertijd zijn er tal van aspecten aan het doen van historisch onderzoek die haar objectiviteit relativeren. Het selecteren van een onderzoeksthema (wat is het onderzoeken waard en wat niet?), het wegen van denkbeelden en gebeurtenissen (wat was van betekenis en wat niet?), en het werken met tijdvakken en periodiseringen (wat ligt in de lijn der verwachting en wat niet?) zijn slechts enkele voorbeelden van keuzes die maken dat subjectiviteit haar intrede doet. Wil de geschiedwetenschap uitstijgen boven het verstrekken van droge opsommingen van feiten, namen en jaartallen, dan zijn interpretaties, aannames en duidingen vereist. Dit, zo zouden we kunnen zeggen, is het noodlot van de menselijke vergeetachtigheid en inherent aan alle geschiedschrijving. Geschiedschrijving is, wil zij niet waardeloos zijn, onvermijdelijk waardegeladen.

Over de doden niets dan goeds

Deze kanttekening, die ten behoeve van de achteloze lezer eigenlijk bij al hun publicaties als bijsluiter moet worden opgenomen, ontslaat historici niet van een aantal wetenschappelijke deugden. Een streven naar een zo groot mogelijke objectiviteit, bijvoorbeeld, is toch wel het minste wat van hen mag worden verwacht. Vanuit de christelijke traditie klinkt bovendien nog het theologische gebod van de naastenliefde. De gereformeerde historicus A.Th. van Deursen wees erop dat deze liefde zich uitstrekt tot zowel de levenden als de doden. Historisch onderzoek, zo schreef hij ergens, is de nagedachtenis van de naaste in ere houden en het leven en denken van de stemlozen recht doen. Recht doen aan het verleden – door in de massa’s individuen te onderscheiden, te begrijpen wat medestanders en tegenstander bewoog, en oog te hebben voor het gewone en alledaagse naast het revolutionaire – zou het motto moeten zijn van alle historici.

Of er zoiets zou moeten worden beoefend als een christelijke geschiedschrijving weet ik niet. Wat ik wel weet is dat er zoiets bestaat als een seculier perspectief, een benadering die zich kenmerkt door een overmatige aandacht voor vrijdenken, ontkerstening en revolutie. Of de naastenliefde zich hiermee uitstrekt tot alle doden durf ik te betwijfelen. Wat Nehemia Gentenaer betreft is dit echter geen doodzonde, want die schrijver heeft nooit bestaan.

 

Over de Auteurs: Joost W. Hengstmengel