Home » Opinie » Protestanten aller landen verenigt u?

Protestanten aller landen verenigt u?

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 3 januari 2013 | 5.1 min read |

Eind 2012 verscheen de eerste Nederlandse vertaling van Max Webers Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus. Het gezegde ‘beter laat dan nooit’ is hier wel op zijn plaats, want de deelartikelen van het boek werden reeds tussen 1904 en 1906 gepubliceerd. Waarom de vertaling meer dan 100 jaar op zich heeft laten wachten is mij een raadsel. Webers boek is namelijk een heuse klassieker, waarin de grondslag werd gelegd voor de moderne sociologie, Marx’ historisch materialisme werd bestreden, en de beroemde these over de relatie tussen het calvinisme en het kapitalisme werd geformuleerd. De Nederlandse intelligentsia moest het al die jaren doen met een Engelse vertaling (het academische Duits is bijna niet om door te komen), maar nu is ons land dus gezegend met De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme.

 

Blijkens de omslag is er bewust voor gekozen om het boek in het jaar des Heeren 2012 uit te geven. Het zou hier namelijk gaan om “een klassieker met een grote actuele betekenis, juist in onze tijd waarin de religie terugkeert op de publieke agenda, en de vanzelfsprekendheden van het kapitalisme steeds meer ter discussie staan”. En, zo wordt er met een citaat uit de Volkskrant aan toegevoegd: “Webers invloed is nog steeds springlevend”. Is hier de spreekwoordelijke Hollandse koopman aan het woord of is het boek van de Duitse econoom-socioloog inderdaad actueel en invloedrijk? Ik neig naar het eerste, want van het soort relevantie waar de omslagtekst op doelt, lijkt mij geen sprake. Laat mij deze oneerbiedigheid jegens de koninklijke uitgever toelichten door in te zoomen op de inhoud van De protestantse ethiek.

 

De Weber-these

Een korte samenvatting geven van Webers boek is eigenlijk ondoenlijk. Want zoals de Engelsen dat zo mooi zeggen: the devil is in the details (de auteur heeft zelf al 100 pagina’s met 381 voetnoten nodig om de nuances aan te brengen). We komen er dus niet mee weg om, zoals in populair-wetenschappelijke boeken nogal eens gebeurt, de Weber-these te reduceren tot ‘het kapitalisme was een product van calvinistische zuinigheid en hard werken’. Maar wat beweerde Weber dan wel? Om te beginnen is het hem niet te doen om het kapitalisme als organisatievorm of economisch systeem. Zijn interesse gaat in dit boek uit naar het ontstaan van ‘de geest van het kapitalisme’, dat wil zeggen de economische gezindheid of het leidmotief van het kapitalistisch bestel.

 

Weber spreekt bij voorkeur over de ‘geest’ van het kapitalisme als een ethos: een ethisch gekleurd grondbeginsel voor hoe de mens zijn leven moet leiden. Het summum bonum van deze ethiek is om steeds meer geld te verdienen (zelfs meer dan men nodig heeft), het kapitaal te laten groeien, en tegelijkertijd het genot van dit bezit te vermijden. Dat de mens zijn leven zou willen richten op het verdienen van geld mag ongeloofwaardig klinken, maar het kan een doel op zich worden als deze een plicht voelt om zich te bekwamen en te excelleren in een beroep. Geldelijk gewin is dan immers een bewijs van beroepsvaardigheid, en zal de mens aansporen om nog harder te werken. Deze geest van het kapitalisme, waarbij kapitaalgroei wordt gezien als ‘resultaat en de uitdrukking’ van een beroepsplicht, staat voor Weber tegenover de ‘geest van het traditionalisme’, waarbij wordt gestreefd naar die mate van inkomsten die voor (over)leven nodig is.

 

De geleidelijke verdringing van de middeleeuwse geest van het traditionalisme wordt door Weber verklaard in termen van veranderende religieuze opvattingen. De ideale (maar niet enige) voedingsbodem voor het ontstaan van de geest van het kapitalisme was zijns inziens de protestantse Reformatie. Het was Luther die het begrip Beruf (beroep én roeping) introduceerde om stem te geven aan de gedachte dat het God welgevallige leven zich moest uiten in wereldse arbeid en plichten in plaats van monastieke ascese. Latere kerken en sekten binnen het ‘ascetisch protestantisme’ als het calvinisme, piëtisme en methodisme  voegden daarbij de opvatting dat onafgebroken beroepsarbeid het beste bewijs voor iemand uitverkiezing en geloof vormt. “[D]e religieuze waardering voor de onvermoeibare, permanente, systematische, wereldse beroepsarbeid”, zo luidt kortweg Webers conclusie, moest “als het ascetische middel bij uitstek en tevens als meest betrouwbare en zichtbare bewijs van wedergeboorte van de mens en van de oprechtheid van zijn geloof, de krachtigste hefboom zijn die men zich kan indenken voor de expansie van de levensopvatting die we hier als ‘geest’ van het kapitalisme hebben aangemerkt”.

 

Een actueel boek?

Terug naar de vermeende actualiteit van Weber. Ondanks de summiere samenvatting zal het duidelijk zijn dat De protestantse ethiek vooral een historisch perspectief biedt op de religieuze wortels van het moderne kapitalistische denken. Weber beschrijft als het ware de ladder van protestantse makelij waarlangs de moderne mens opklom richting het kapitalisme. Maar het zegevierende kapitalisme, zo concludeert de auteur reeds aan het begin van de twintigste eeuw, had de steun van de protestantse werkethiek niet meer nodig. De ladder werd met andere woorden na gebruik weggegooid. Het is precies dit punt dat mij doet twijfelen aan de hedendaagse relevantie van Webers boek. Wat zou het ons vandaag de dag immers kunnen zeggen  dat de kapitalistische geest ooit een religieuze voedingsbodem heeft gehad maar het daarna prima zonder kon stellen? Dat het in crisis verkerende kapitalisme vooral vooruit moet kijken en haar heil niet ‘omlaag kijkend’ moet zoeken in het protestantisme? Of juist dat het ter inspiratie weer moet ‘afdalen’ naar de oude religieuze bronnen?

 

Deze laatste conclusie zou met Webers boek in de hand het beste te verdedigen zijn, maar ik betwijfel of de tekst op de omslag hierop doelt. Als religie in onze samenleving al terugkeert op de publieke agenda is het vooral om het vandaar haar plaats te wijzen achter de voordeur. Daarnaast is het de vraag of in de oude protestantse bronnen wel zoveel enthousiasme voor een wederopstanding van het kapitalisme is te vinden. De geest van het kapitalisme was in de ogen van Weber namelijk een “onvoorzien en zelfs ongewild gevolg” van de Reformatie en een ezel stoot zich doorgaans niet tweemaal aan dezelfde steen.

 

Over de Auteurs: Joost W. Hengstmengel

Home » Opinie » Protestanten aller landen verenigt u?

Protestanten aller landen verenigt u?

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 3 januari 2013 | 5.1 min read |

Eind 2012 verscheen de eerste Nederlandse vertaling van Max Webers Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus. Het gezegde ‘beter laat dan nooit’ is hier wel op zijn plaats, want de deelartikelen van het boek werden reeds tussen 1904 en 1906 gepubliceerd. Waarom de vertaling meer dan 100 jaar op zich heeft laten wachten is mij een raadsel. Webers boek is namelijk een heuse klassieker, waarin de grondslag werd gelegd voor de moderne sociologie, Marx’ historisch materialisme werd bestreden, en de beroemde these over de relatie tussen het calvinisme en het kapitalisme werd geformuleerd. De Nederlandse intelligentsia moest het al die jaren doen met een Engelse vertaling (het academische Duits is bijna niet om door te komen), maar nu is ons land dus gezegend met De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme.

 

Blijkens de omslag is er bewust voor gekozen om het boek in het jaar des Heeren 2012 uit te geven. Het zou hier namelijk gaan om “een klassieker met een grote actuele betekenis, juist in onze tijd waarin de religie terugkeert op de publieke agenda, en de vanzelfsprekendheden van het kapitalisme steeds meer ter discussie staan”. En, zo wordt er met een citaat uit de Volkskrant aan toegevoegd: “Webers invloed is nog steeds springlevend”. Is hier de spreekwoordelijke Hollandse koopman aan het woord of is het boek van de Duitse econoom-socioloog inderdaad actueel en invloedrijk? Ik neig naar het eerste, want van het soort relevantie waar de omslagtekst op doelt, lijkt mij geen sprake. Laat mij deze oneerbiedigheid jegens de koninklijke uitgever toelichten door in te zoomen op de inhoud van De protestantse ethiek.

 

De Weber-these

Een korte samenvatting geven van Webers boek is eigenlijk ondoenlijk. Want zoals de Engelsen dat zo mooi zeggen: the devil is in the details (de auteur heeft zelf al 100 pagina’s met 381 voetnoten nodig om de nuances aan te brengen). We komen er dus niet mee weg om, zoals in populair-wetenschappelijke boeken nogal eens gebeurt, de Weber-these te reduceren tot ‘het kapitalisme was een product van calvinistische zuinigheid en hard werken’. Maar wat beweerde Weber dan wel? Om te beginnen is het hem niet te doen om het kapitalisme als organisatievorm of economisch systeem. Zijn interesse gaat in dit boek uit naar het ontstaan van ‘de geest van het kapitalisme’, dat wil zeggen de economische gezindheid of het leidmotief van het kapitalistisch bestel.

 

Weber spreekt bij voorkeur over de ‘geest’ van het kapitalisme als een ethos: een ethisch gekleurd grondbeginsel voor hoe de mens zijn leven moet leiden. Het summum bonum van deze ethiek is om steeds meer geld te verdienen (zelfs meer dan men nodig heeft), het kapitaal te laten groeien, en tegelijkertijd het genot van dit bezit te vermijden. Dat de mens zijn leven zou willen richten op het verdienen van geld mag ongeloofwaardig klinken, maar het kan een doel op zich worden als deze een plicht voelt om zich te bekwamen en te excelleren in een beroep. Geldelijk gewin is dan immers een bewijs van beroepsvaardigheid, en zal de mens aansporen om nog harder te werken. Deze geest van het kapitalisme, waarbij kapitaalgroei wordt gezien als ‘resultaat en de uitdrukking’ van een beroepsplicht, staat voor Weber tegenover de ‘geest van het traditionalisme’, waarbij wordt gestreefd naar die mate van inkomsten die voor (over)leven nodig is.

 

De geleidelijke verdringing van de middeleeuwse geest van het traditionalisme wordt door Weber verklaard in termen van veranderende religieuze opvattingen. De ideale (maar niet enige) voedingsbodem voor het ontstaan van de geest van het kapitalisme was zijns inziens de protestantse Reformatie. Het was Luther die het begrip Beruf (beroep én roeping) introduceerde om stem te geven aan de gedachte dat het God welgevallige leven zich moest uiten in wereldse arbeid en plichten in plaats van monastieke ascese. Latere kerken en sekten binnen het ‘ascetisch protestantisme’ als het calvinisme, piëtisme en methodisme  voegden daarbij de opvatting dat onafgebroken beroepsarbeid het beste bewijs voor iemand uitverkiezing en geloof vormt. “[D]e religieuze waardering voor de onvermoeibare, permanente, systematische, wereldse beroepsarbeid”, zo luidt kortweg Webers conclusie, moest “als het ascetische middel bij uitstek en tevens als meest betrouwbare en zichtbare bewijs van wedergeboorte van de mens en van de oprechtheid van zijn geloof, de krachtigste hefboom zijn die men zich kan indenken voor de expansie van de levensopvatting die we hier als ‘geest’ van het kapitalisme hebben aangemerkt”.

 

Een actueel boek?

Terug naar de vermeende actualiteit van Weber. Ondanks de summiere samenvatting zal het duidelijk zijn dat De protestantse ethiek vooral een historisch perspectief biedt op de religieuze wortels van het moderne kapitalistische denken. Weber beschrijft als het ware de ladder van protestantse makelij waarlangs de moderne mens opklom richting het kapitalisme. Maar het zegevierende kapitalisme, zo concludeert de auteur reeds aan het begin van de twintigste eeuw, had de steun van de protestantse werkethiek niet meer nodig. De ladder werd met andere woorden na gebruik weggegooid. Het is precies dit punt dat mij doet twijfelen aan de hedendaagse relevantie van Webers boek. Wat zou het ons vandaag de dag immers kunnen zeggen  dat de kapitalistische geest ooit een religieuze voedingsbodem heeft gehad maar het daarna prima zonder kon stellen? Dat het in crisis verkerende kapitalisme vooral vooruit moet kijken en haar heil niet ‘omlaag kijkend’ moet zoeken in het protestantisme? Of juist dat het ter inspiratie weer moet ‘afdalen’ naar de oude religieuze bronnen?

 

Deze laatste conclusie zou met Webers boek in de hand het beste te verdedigen zijn, maar ik betwijfel of de tekst op de omslag hierop doelt. Als religie in onze samenleving al terugkeert op de publieke agenda is het vooral om het vandaar haar plaats te wijzen achter de voordeur. Daarnaast is het de vraag of in de oude protestantse bronnen wel zoveel enthousiasme voor een wederopstanding van het kapitalisme is te vinden. De geest van het kapitalisme was in de ogen van Weber namelijk een “onvoorzien en zelfs ongewild gevolg” van de Reformatie en een ezel stoot zich doorgaans niet tweemaal aan dezelfde steen.

 

Over de Auteurs: Joost W. Hengstmengel