Home » Opinie » Koude-oorlogsciëntisme

Koude-oorlogsciëntisme

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 23 januari 2013 | 3.3 min read |

In deze koude tijd van het jaar kijk ik even terug naar een tijd dat er jarenlang een ijzige politieke kou in de lucht hing. Ik heb het natuurlijk over de Koude Oorlog. Dat was een spannende tijd, waarin het leek of de bom elk moment kon vallen. Veel Amerikanen hielden daar dan ook echt rekening mee. De animatiefilm ‘De IJzeren Reus’ (1999) heeft die periode prachtig, humoristisch en ijzingwekkend in beeld gebracht.

Eén Amerikaan nam een kernoorlog wetenschappelijk heel serieus: Herman Kahn. Zijn vuistdikke boek ‘On Thermonuclear War’ (de titel verwijst naar de klassieker ‘On War’ van Carl von Clausewitz) dat werd gepubliceerd 1960, maakte hem in één klap beroemd en berucht. Zijn boek systematiseerde de consequenties van een nucleair conflict tot in detail, en poogde de mogelijke strategische opties van de VS in beeld te krijgen, zodat een ‘uitwisseling’ (van atoomwapens) met de toenmalige USSR daadwerkelijk kon worden gewonnen. Kahn heeft, met anderen, model gestaan voor Stanley Kubrick’s personage Dr. Strangelove in zijn gelijknamige film.

Kahn was één van de eersten in de wereld die met behulp van systeemanalyse poogde een militair-strategisch vraagstuk wetenschappelijk volledig te doorgronden. Hij probeerde werkelijk alles in zijn analyse te betrekken, probeerde niets over het hoofd te zien: ‘I can believe the impossible’, Father Brown notes, in one of G.K. Chesterton’s wonderful priest-detective stories, ‘but not the improbable’. Unlike Father Brown, we believe not only the impossible and the improbable, but also the implausible, the unlikely, and the unproven. We believe in them and we take them seriously, especially when they involve what is probably the central issue of our time – nuclear war.’ Kahn heeft onder andere de term ‘megadeath’ (1 miljoen doden) gepopulariseerd.

Kahn probeerde in zijn analyse tot in detail om te gaan met de menselijke geschiedenis voordat die had plaatsgevonden. Alles werd gereduceerd tot meetbare en kenbare eenheden: het aantal dodelijke slachtoffers, de overlevingskansen boven- en ondergronds, tot welk besmettingsniveau voedsel consumeerbaar bleef, enzovoorts. We zouden nu weinig moeite hebben een dergelijke analyse te scharen onder het kopje sciëntisme. Toen moesten velen niets hebben van Kahn’s werk: de koele reductie van mensenlevens, ecosystemen, cultuurgoed en ga zo maar door tot getalsmatigheden was en is onacceptabel. Bovendien, slechts weinigen waren er van overtuigd dat zijn analysen enige waarde hadden, dat wil zeggen bij benadering de werkelijkheid zou representeren indien het van een nucleaire oorlog zou komen.

Deze geschiedenis, die ik elders uitgebreider heb besproken, is een vage herinnering geworden. Ze is slechts terug te vinden in specialistische literatuur. Of toch niet? Als progressieve burgers kennen we systeemanalysen à la Herman Kahn maar al te goed, zonder dat misschien te beseffen. Dagelijks wordt er in vrijwel alle kranten gerapporteerd hoe het gesteld zal zijn met het klimaat van de toekomst bij de huidige uitstoot van kooldioxide. Wordt de vraag gesteld wat we moeten doen om ons aan dat veranderende klimaat aan te passen dan wel klimaatverandering te voorkomen (minder uitstoot), welke stormen nu toch echt het gevolg zijn van de klimaatverandering, en ga zo maar door. En we denken echt dat dergelijke systeemanalysen feitelijk de werkelijkheid in al zijn complexiteit kunnen vangen. We zijn met z’n allen als een blok gevallen voor dit “sciëntisme 2.0.” En enige kritiek daarop wordt veelal met grote morele verontwaardiging onthaald. ‘De wetenschap’ heeft toch gesproken?

Het reductionisme zoals Kahn dat bezigde, en dat in zijn tijd algemeen werd verafschuwd, is in de 21ste eeuw in onze Westerse samenleving warm onthaald. Helaas is het zo dat binnen de theologie en filosofie sciëntisme vooral wordt herkend en geanalyseerd in het wat sleets geworden debat over geloof en wetenschap. Het zou niet onverstandig zijn om binnen het nieuwe VU-project ‘Science beyond Scientism’ juist de wijdverbreide vormen van sciëntisme in onze samenleving te analyseren. De alledaagsheid van dat sciëntisme lijkt mij nu juist voer voor theologen en filosofen.

Literatuur

H. Kahn, Thinking about the Unthinkable in the 1980s (New York: Simon and Schuster 1984).

Over de Auteurs: Jaap C. Hanekamp

Home » Opinie » Koude-oorlogsciëntisme

Koude-oorlogsciëntisme

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 23 januari 2013 | 3.3 min read |

In deze koude tijd van het jaar kijk ik even terug naar een tijd dat er jarenlang een ijzige politieke kou in de lucht hing. Ik heb het natuurlijk over de Koude Oorlog. Dat was een spannende tijd, waarin het leek of de bom elk moment kon vallen. Veel Amerikanen hielden daar dan ook echt rekening mee. De animatiefilm ‘De IJzeren Reus’ (1999) heeft die periode prachtig, humoristisch en ijzingwekkend in beeld gebracht.

Eén Amerikaan nam een kernoorlog wetenschappelijk heel serieus: Herman Kahn. Zijn vuistdikke boek ‘On Thermonuclear War’ (de titel verwijst naar de klassieker ‘On War’ van Carl von Clausewitz) dat werd gepubliceerd 1960, maakte hem in één klap beroemd en berucht. Zijn boek systematiseerde de consequenties van een nucleair conflict tot in detail, en poogde de mogelijke strategische opties van de VS in beeld te krijgen, zodat een ‘uitwisseling’ (van atoomwapens) met de toenmalige USSR daadwerkelijk kon worden gewonnen. Kahn heeft, met anderen, model gestaan voor Stanley Kubrick’s personage Dr. Strangelove in zijn gelijknamige film.

Kahn was één van de eersten in de wereld die met behulp van systeemanalyse poogde een militair-strategisch vraagstuk wetenschappelijk volledig te doorgronden. Hij probeerde werkelijk alles in zijn analyse te betrekken, probeerde niets over het hoofd te zien: ‘I can believe the impossible’, Father Brown notes, in one of G.K. Chesterton’s wonderful priest-detective stories, ‘but not the improbable’. Unlike Father Brown, we believe not only the impossible and the improbable, but also the implausible, the unlikely, and the unproven. We believe in them and we take them seriously, especially when they involve what is probably the central issue of our time – nuclear war.’ Kahn heeft onder andere de term ‘megadeath’ (1 miljoen doden) gepopulariseerd.

Kahn probeerde in zijn analyse tot in detail om te gaan met de menselijke geschiedenis voordat die had plaatsgevonden. Alles werd gereduceerd tot meetbare en kenbare eenheden: het aantal dodelijke slachtoffers, de overlevingskansen boven- en ondergronds, tot welk besmettingsniveau voedsel consumeerbaar bleef, enzovoorts. We zouden nu weinig moeite hebben een dergelijke analyse te scharen onder het kopje sciëntisme. Toen moesten velen niets hebben van Kahn’s werk: de koele reductie van mensenlevens, ecosystemen, cultuurgoed en ga zo maar door tot getalsmatigheden was en is onacceptabel. Bovendien, slechts weinigen waren er van overtuigd dat zijn analysen enige waarde hadden, dat wil zeggen bij benadering de werkelijkheid zou representeren indien het van een nucleaire oorlog zou komen.

Deze geschiedenis, die ik elders uitgebreider heb besproken, is een vage herinnering geworden. Ze is slechts terug te vinden in specialistische literatuur. Of toch niet? Als progressieve burgers kennen we systeemanalysen à la Herman Kahn maar al te goed, zonder dat misschien te beseffen. Dagelijks wordt er in vrijwel alle kranten gerapporteerd hoe het gesteld zal zijn met het klimaat van de toekomst bij de huidige uitstoot van kooldioxide. Wordt de vraag gesteld wat we moeten doen om ons aan dat veranderende klimaat aan te passen dan wel klimaatverandering te voorkomen (minder uitstoot), welke stormen nu toch echt het gevolg zijn van de klimaatverandering, en ga zo maar door. En we denken echt dat dergelijke systeemanalysen feitelijk de werkelijkheid in al zijn complexiteit kunnen vangen. We zijn met z’n allen als een blok gevallen voor dit “sciëntisme 2.0.” En enige kritiek daarop wordt veelal met grote morele verontwaardiging onthaald. ‘De wetenschap’ heeft toch gesproken?

Het reductionisme zoals Kahn dat bezigde, en dat in zijn tijd algemeen werd verafschuwd, is in de 21ste eeuw in onze Westerse samenleving warm onthaald. Helaas is het zo dat binnen de theologie en filosofie sciëntisme vooral wordt herkend en geanalyseerd in het wat sleets geworden debat over geloof en wetenschap. Het zou niet onverstandig zijn om binnen het nieuwe VU-project ‘Science beyond Scientism’ juist de wijdverbreide vormen van sciëntisme in onze samenleving te analyseren. De alledaagsheid van dat sciëntisme lijkt mij nu juist voer voor theologen en filosofen.

Literatuur

H. Kahn, Thinking about the Unthinkable in the 1980s (New York: Simon and Schuster 1984).

Over de Auteurs: Jaap C. Hanekamp