Print deze pagina

Vallen de Verlichting en de opkomst van de historische wetenschap samen?

Vallen de Verlichting en de opkomst van de historische wetenschap samen?
10 jan
2018

Stel je hebt een nieuwe IKEA-kast gekocht en bij het in elkaar zetten merk je dat er een onderdeel overblijft. Je denkt dat je een fout hebt gemaakt en je begint dus overnieuw. Maar hoe je het ook wendt of keert, steeds blijft dat ene onderdeel over. In wanhoop bel je de hulplijn en zo kom je er uiteindelijk achter dat dat onderdeel ook niet in het oorspronkelijke bouwpakket thuishoorde. Het was er abusievelijk bijgeleverd! Dit gebeurt er bij het bouwpakket dat we ‘historisch-kritisch denken’ noemen: het onderdeel ‘afzien van Gods hand in de geschiedenis’ wordt er tegenwoordig standaard bijgeleverd, maar het was geen onderdeel van de oorspronkelijke historische revolutie. Met dat abusievelijk bijgeleverde onderdeel krijgen we het bouwwerk van onze Westerse cultuur niet meer in elkaar….

Gods handelen in de geschiedenis overschaduwd door de wetenschap?

Toen Maria verwonderd aan Gabriël vroeg hoe die zwangerschap dan kon, antwoordde hij: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken.’ Zo valt in het evangelie van Lucas alle nadruk geheel op God: op zijn handelen, op zijn initiatief dat, via de weg van de maagdelijke conceptie van Christus, een nieuwe toekomst opent voor een gevallen Adam. Sinds de opkomst van het historisch-kritisch denken wordt dit wonderbaarlijke unieke handelen Gods echter overschaduwd door scepsis en twijfel…. Sinds de opkomst van de historisch-kritische wetenschap of sinds de opkomst van de Verlichting? Of is dat ongeveer hetzelfde, zoals velen denken?

 

Het licht van historisch-kritische wetenschap

De kern van de historische wetenschap is ontvonkt aan kritisch onderzoek naar bronnen. Vragen zoals bijvoorbeeld: Is dit document dat aangeeft dat dit kasteel in 1600 aan jouw familie is geschonken wel echt? Schreven ze 400 jaar geleden zo? Is de spelling uit die tijd? Het handschrift? Het papier? Een beroemd voorbeeld is de ‘Donatio Constantini’ waarmee de paus zijn macht legitimeerde: het document bleek niet uit de tijd van Constantijn te zijn, maar uit de 8ste eeuw. Dit kritisch bronnenonderzoek speelde een grote rol binnen bijvoorbeeld de theologie, politiek en diplomatie. Het uitbouwen van deze kritische wetenschap was een proces van ruwweg 1400 tot 1900. De vroege Italiaanse Renaissance was haar wieg en grote namen zijn Mabillon (1632-1707), de ‘Newton of history’, en Von Ranke (1795-1886). In die lange boog vanaf de vroege Renaissance tot het Berlijn van de 19de eeuw is er een apart wetenschappelijk vak ontstaan: geschiedenis. Wat is dan het kritische aspect van dat volgroeide vak? De geschiedfilosoof Ewald Mackay geeft de volgende kritische kenmerken:

1. Elke tekst verstaan vanuit de eigen tijd
2. Besef van vreemdheid van die verre tijden: historisch besef
3. Besef dat de eigen tijd ook historisch bepaald is: historiciteitsbesef
4. Besef van ‘bron’ en de gelaagdheid van bronnen
5. Inzet hulpwetenschappen (paleografie, archeologie, numismatiek etc.)
6. Een wetenschappelijk ‘gilde’ met eigen tijdschriften en faculteiten1

Met deze zes criteria hebben we de belangrijkste ijkpunten voor wat er nodig is om wetenschappelijk met geschiedenis bezig te zijn. We vinden dus niet als criterium: principieel afzien van Gods hand in de geschiedenis. Maar als dat zo is, mag het bericht dat Maria overschaduwd werd door de Heilige Geest volop meedoen als historisch te onderzoeken hypothese! Daarover straks iets meer, nu eerst even naar het laatkomertje van de Verlichting: afzien van Gods hand in de geschiedenis.

 

Schaduwen van de Verlichting

Pas de Verlichting zette Gods handelen buiten haakjes. Dat wordt in de wetenschapsfilosofie meestal ‘methodisch naturalisme’ genoemd: in onze historische methode vooronderstellen we dat God niet handelt. Men probeert deze methodologie vaak de schijn van neutraliteit te geven door te benadrukken dat God natuurlijk best kan bestaan; je zet hem alleen maar wat betreft de spelregels van de historische wetenschap buiten spel. Maar deze neutraliteit is slechts schijn: bij het christelijk geloof behoort nu eenmaal dat God wel degelijk handelt in de geschiedenis. In deze methodologie, deze ‘bril’ die je samen opzet – en als je niet meedoet kun je niet promoveren en een academische plaats verwerven! –, is dus bij voorbaat geen plaats voor een essentieel element uit het christelijk geloof. Maar, zoals hierboven al betoogd, dit methodisch naturalisme was dus geen onderdeel van het oorspronkelijk bouwpakket van de historische wetenschap! Pas in de Verlichting, toen de historische revolutie al goed op stoom was gekomen, werd dit naturalistisch criterium langzamerhand dominant. Bij Mabillon is er geen sprake van naturalisme. Maar dacht de ‘Newton van de geschiedwetenschap’ dan onhistorisch? En Von Ranke idem dito? Wie dus dit naturalisme van de Verlichting terug projecteert op en identificeert met de oorsprong van wetenschappelijk historisch denken, denkt zelf op dat punt volkomen ….. onhistorisch. Dat komt neer op een wetenschappelijk ontdekkingsproces van tóen interpreteren door de bril van je eigen tijd, in plaats van het verstaan vanuit de eigen tijd (criterium één).

Toch is dit een heilig huisje in de gangbare wetenschapsopvatting. Het onaantastbare van dit dogma van het methodisch naturalisme verraadt dat haar aanhangers ook weinig historiciteitsbesef hebben (criterium drie). Want wie werkelijk zicht heeft op het feit dat ons huidige methodisch naturalisme ook historisch bepaald is, zal het niet meer onkritisch als een onaantastbaar a priori kunnen accepteren. Daarmee denken deze Verlichtings-historici dus, ironisch genoeg, opnieuw …. onhistorisch.

 

De ramp van de boedelscheiding voor het Avondland

Terug naar Gods handelen met Maria: met de zes genoemde criteria kunnen we ons historisch-wetenschappelijk buigen over de vraag of er een maagdelijke conceptie was. Ik heb elders betoogd dat, bij gedegen historisch onderzoek, het aanvaarden van de maagdelijke conceptie sterker staat dan het verwerpen daarvan. Sterker dan: niet meer, niet minder. Als we het methodisch naturalisme accepteren valt de hypothese zélf echter al op voorhand buiten het zicht van de historische wetenschap. Dat leidt dus tot de boedelscheiding tussen geloof en wetenschap: zodra we gaan geloven, moeten we de wetenschap achter ons laten. Ik ben er vast van overtuigd dat dit schadelijk is voor geloof, theologie en cultuur. Hiermee laten we bij onze Exodus de historische wetenschap achter in Egypte, het schaduwland. De historische wetenschap kan zich nog slechts op schaduwen richten, op mensenwerk, niet op wie die schaduwen teweegbracht: de Allerhoogste, wiens hand Maria overschaduwde. Ontzielde, aanmatigende wetenschap enerzijds en gesubjectiveerd, geprivatiseerd christelijk geloof anderzijds: dat is de neerwaartse draaikolk waarin het Avondland zo terecht kwam.

 

Harmonie tussen een bescheiden wetenschap en een geschonken geloof

Het wordt tijd dat we de hulplijn bellen zodat we scherp zicht krijgen op welke onderdelen nu wérkelijk tot de historische revolutie behoorden en welke niet. Pas dan drijven wetenschap en geloof niet meer uit elkaar. Zeker, wetenschap kan geen geloof bieden. Het is maar een schamel instrument: wat is nu ‘het aanvaarden staat sterker dan het verwerpen daarvan’? Historische wetenschap biedt geen zekerheid en die eis moeten we dus voor historisch kennen loslaten: die lat is te hoog en leidt slechts tot scepsis in de historische wetenschap. Zekerheid kan de wetenschap niet bieden, dat komt op uit geloof. Maar dat is wel een ander soort zekerheid, want geloof wordt ons geschonken en wordt aanvaard in een daad van overgave en liefde: geloofszekerheid als geschenk. Het is iets tussen God en ons. Maar wetenschap, als ze zich richt op de werkelijkheid zoals die is, wijst wel met al haar krakkemikkig ‘waarschijnlijker dan’ de goede kant op. Want er is nu eenmaal maar één werkelijkheid, niet twee: Gods werkelijkheid.

 

Voetnoot

1) Ewald Mackay, Geschiedenis bij de bron: Een onderzoek naar de verhouding van christelijk geloof en historische werkelijkheid in geschiedwetenschap, wijsbegeerte en theologie, Sliedrecht 1997, 54-57.

 

Voor wie meer wil lezen:

Guus Labooy, ‘De historiciteit van de maagdelijke ontvangenis, een oefening in argumentatie’, Kerk en Theologie 54/4 (2003), 293-309.
Guus Labooy, ‘Theologie van het Oude Testament en historisch denken’, Kerk en Theologie 65/3 (2014), 249-273.
Guus Labooy, ‘Geschiedwetenschap toegepast op het Oude Testament (deel 2)’, Kerk en Theologie 66/3 (2015), 211-229.

Reacties mogelijk gemaakt door CComment