Gijsbert van den Brink

Prof. dr. Gijsbert van den Brink bekleedt sinds 2015 de University Research Chair voor Theologie & Wetenschap aan de VU in Amsterdam. Daarvoor was hij bijzonder hoogleraar voor de theologie van het gereformeerd protestantisme aan de PThU (vestiging Amsterdam) en universitair hoofddocent systematische theologie aan de VU. Zijn huidige onderzoeksproject gaat over de verhouding tussen de evolutietheorie (c.q. de zogeheten neodarwinistische synthese) en christelijk geloof.

Website: http://www.godgeleerdheid.vu.nl/nl/over-de-faculteit/medewerkers/wetenschappelijk-personeel-a-f/g-van-den-brink/index.aspx

 

In de eerdere afleveringen van deze serie (zie deel 1 en deel 2) ging ik achtereenvolgens in op de ‘klassieke’ aanwijzingen voor gemeenschappelijke afstamming in de vorm van het fossielenbestand en op de nieuwere aanwijzingen van biochemische en vooral genetische aard. Met al deze aanwijzingen acht ik gemeenschappelijke afstamming niet ‘bewezen’, maar wel een theorie die stevig genoeg staat om haar eventuele theologische consequenties te doordenken. Dat is dan ook het thema van deze afsluitende bijdrage.

In het eerste deel van deze column besprak ik enkele ‘klassieke’ aanwijzingen voor gemeenschappelijke afstamming: het fossielenbestand en de verdeling daarvan over aardlagen van uiteenlopende ouderdom. De laatste decennia zijn er nieuwe reeksen aanwijzingen bij gekomen uit de biochemie en de genetica. In deze bijdrage ga ik daarop wat nader in, zonder naar mijn bronnen te verwijzen (dat doe ik wel in mijn aanstaande boek).

In 1991 beweerde de prominente evolutiebioloog Ernst Mayr (1904-2005) in een van zijn geschriften dat ‘(…) there is probably no biologist left today who would question that all organisms now found on earth have descended from a single origin of life’. Dat was – en is in onze dagen nog steeds – zeker een overdrijving, al was het maar vanwege het feit dat creationisten en andere groepen die sceptisch zijn over de evolutietheorie ook zo hun biologen hebben. Het is desondanks opmerkelijk dat natuurwetenschappers in het algemeen en biologen in het bijzonder doorgaans diep overtuigd zijn van de gemeenschappelijke afstamming van al het leven op aarde.

Laten we theologie definiëren als fatsoenlijk nadenken over God en over alle dingen in het licht van God; of eventueel algemener: als nadenken over transcendentie en over hoe de dingen eruitzien in het perspectief daarvan. Met zo’n omschrijving bewegen we ons in het respectabele spoor van Thomas van Aquino (1225-1274) en vele anderen. Zulke theologie staat niet in dienst van iets anders (belangen van kerken bijvoorbeeld), maar is van intrinsieke betekenis, vanwege de vragen die ze bestudeert.

In de discussie over schepping en evolutie die onder christenen gevoerd wordt, is een van de vragen de exegese van de eerste hoofdstukken van Genesis. In een kort artikel geeft prof. G. van den Brink een overzicht van de verschillende manieren waarop deze hoofdstukken kunnen worden geïnterpreteerd.

Uitgebreid zoeken

Categorie
Tag
Auteur
Tekst