Foto (c) Jan Huijgen

Wij leven in een bijzondere tijd. Tot ongeveer twee eeuwen geleden was de natuur een bedreiging en moest de cultuur op de natuur bevochten worden. Dat leek steeds beter te gaan dankzij wetenschap en techniek. Een technisch-wetenschappelijk paradijs op aarde leek ineens in het verschiet, met voor iedereen verzorging van de wieg tot het graf. De mens zou als spelende mens eindelijk tot zijn recht komen. Dit vooruitgangsgeloof, dat velen in de ban hield, bleek een naïeve droom toen tussen 1960 en 1980 duidelijk werd dat er iets ernstigs als ‘milieuvervuiling’ bestond en dat er grenzen aan de groei waren. De ontbossing in de tropen, het uitsterven van diersoorten, het leegvissen van de zeeën, het vernietigen van leefgebieden van allerlei dieren en planten en de wereldwijde klimaatverandering – niets wijst meer op een aanstaand aards paradijs. Integendeel, de mensheid lijkt juist bezig het 'ecosysteem aarde' ernstig te ontwrichten.

 

Door de eeuwen heen is er uiteenlopend gedacht over wat mensen zou onderscheiden van dieren, en de filosofische en theologische betekenis daarvan. In dit opinieartikel ga ik in op de bijbelse notie dat mensen – in tegenstelling tot dieren – ‘naar het beeld van God’ geschapen zijn (zie Genesis 1:26-28). Dat is wat hen uniek maakt onder de schepselen, zo heeft de joods-christelijke traditie altijd gesteld. Maar is die notie nog zinnig in het licht van de evolutiegeschiedenis en wat we te weten zijn gekomen over dieren?

Tijdens de Herfstvakantie opende in Koog aan de Zaan het ‘Scheppingsmuseum’ in oprichting een dag haar deuren, op proef.

De Amerikaanse Oud Testamenticus John Walton stelt dat de Bijbel geen onderscheid maakt tussen natuurlijke en bovennatuurlijke gebeurtenissen: God is bij allebei even zeer betrokken.

De Britse theoloog N.T. Wright legt in een kort essay op de website Science + Belief uit waarom het niet mogelijk is de eigenschappen van God zomaar af te leiden uit de natuur.

Uitgebreid zoeken

Categorie
Tag
Auteur
Tekst