Afgelopen vrijdag (12 oktober) publiceerde NRC online het prijswinnende essay van filosoof René van Woudenberg, getiteld 'God bestaat, er is bewijs'. Dit stuk roept veel reacties op, zowel aan ongelovige als gelovige zijde. Waar sommige atheïstische twitteraars cynisch constateren dat de argumentatie vast niet sluitend is gezien de bescheiden plek van het essay in de zaterdagbijlage, valt menig theoloog met name over het woord 'bewijs'. Is dat er écht, bewijs voor het bestaan van God? Hoe kan het dan dat nog niet iedereen in God gelooft? Is het niet fundamenteel voor het wezen van God, dat God niet te bewijzen valt? Wat blijft er zo nog over van gelóven?

In zijn dialoog De Sofist behandelt Plato het probleem van negatie en tracht hij negaties zodanig te interpreteren dat de klassieke leerstellingen van Parmenides over zijn en niet-zijn niet geschonden worden. Door hierop te reflecteren kan een argument voor het bestaan van God verkregen worden. Dit argument is gebaseerd op een laagdrempelig zijnsbegrip. Iets wat niet onmogelijk is bestaat potentieel (zoals blauw gras of een eenhoorn) of actueel (zoals jij en ik). Mijn argument laat zien dat God niet potentieel kan bestaan. Maar dan bestaat God actueel.

Niet-feitelijke waarheden

Wat is waarheid? Er zijn weinig wijsgerige vragen die vaker zijn gesteld dan deze. In wat volgt ga ik er niet rechtstreeks op in. In plaats daarvan wil ik een mijns inziens cruciaal onderscheid introduceren waaraan veel filosofische opvattingen over wat waarheid is voorbij lijken te gaan. Het onderscheid wat ik op het oog heb duid ik aan als dat tussen feitelijke en niet-feitelijke waarheden. Bestaande noties van waarheid in de filosofie richten zich uitsluitend op de een of de ander en menen daarmee ten onrechte volledig te zijn.

De mens is niet zomaar een slim dier, de menselijke natuur is wel degelijk uniek. Dat zegt de Britse conservatieve filosoof Roger Scruton in zijn boek On Human Nature.

Uitgebreid zoeken

Categorie
Tag
Auteur
Tekst