Print deze pagina

Wagner en Briggs, The Penultimate Curiosity (2016)

  • Geschreven door  Frank Mast
  • Gepubliceerd in Boeken

Hoe komt het dat in de geschiedenis van de mensheid, vanaf de eerste grottekeningen tot aan de moderne kwantumfysica, religie en natuurwetenschap zo sterk met elkaar verweven zijn? Gefascineerd door deze vraag hebben de Engelse auteurs van The penultimate curiosity, schilder Roger Wagner en fysicus Andrew Briggs, zich 16 jaar lang verdiept in de achtergronden. Hun boek leest als een reisverslag door de geschiedenis van de wetenschap, vanaf de prehistorie tot op vandaag.

 

Religieuze verwijzing

Het boek begint met de vermelding van het feit dat de gebouwen van de eerste wetenschappelijke instituten in Oxford en Cambridge een religieuze verwijzing dragen. Boven de ingang van het Oxford University Museum (1850) bevindt zich een reliëf van een engel, met in de ene hand drie levende cellen en in de andere een open boek. Hiermee wilden de stichters van het museum uit- drukken dat toekomstige generaties het open boek van de natuur en de geheimen van het leven zouden bestuderen onder de leiding van een hogere macht. Een houtsnijwerk met de Latijnse vertaling van Psalmen 111:2 siert de ingang van het oorspronkelijke Cavendish Laboratory of Physics (1874) in Cambridge: “Machtig zijn de werken van de HEER, wie ze liefheeft, onderzoekt ze”.
Beide gebouwen zijn ook de plaats van twee legendarische momenten in de geschiedenis van de wetenschap. In 1860 vond in Oxford een openbaar debat plaats over de evolutie- theorie van Darwin. The Origin of Species is voor veel denkers de aanleiding geweest om religie te diskwalificeren ten gunste van de na- tuurwetenschap.

 

Nieuwsgierigheid

In 1953 ontdekten Watson en Crick in Cambridge de structuur van het DNA. Van Crick is bekend dat hij van mening was dat natuurwetenschap niets van doen heeft met de “bijgelovige onzin van religie”.
In het licht van de afwijzing van religie door deze wetenschappers kan de vraag gesteld worden of de religieuze verwijzingen op de genoemde gebouwen slechts vrome gebaren zonder inhoud zijn. Waren ze misschien bedoeld om de religieuze gevoeligheden van de universiteiten tegemoet te komen in een tijd waarin de wetenschappelijke vooruitgang begon te veronderstellen dat Bijbelse scheppingsverhalen tot dezelfde categorie behoorden als iedere andere mythologie? De auteurs ontdekten dat dit niet het geval was. De religieuze verwijzingen waren wel degelijk een uitdrukking van diepe overtuigingen van wetenschappers in de Victoriaanse tijd over de harmonie tussen religie en natuurwetenschap. Met dit gegeven als startpunt wordt de geschiedenis van de relatie tussen religie en natuurwetenschap door de auteurs gereconstrueerd, steeds verder teruggaand in de tijd, hoewel het verhaal in het boek in de historisch-chronologische volgorde wordt verteld. Een centraal begrip, dat ook in de titel van het boek wordt genoemd, is ‘nieuwsgierigheid’. De auteurs onderscheiden hiervan twee soorten. Religie en metafysica zouden zich richten op de ultieme vragen, terwijl natuurwetenschap zich bezighoudt met de voorlaatste vragen (vandaar de naam van hun werk: Penultimate Curiosity).

 

Ultieme vragen

De hypothese van de auteurs is dat de wetenschap zich ontwikkeld heeft in het kielzog van de religie: er gaat van de reli gie een aanzuigende werking uit waarvan de natuurwetenschap heeft geprofiteerd. Zij ondersteunen hun hypothese door citaten van wetenschappers zoals James Clerk Maxwell en Michael Faraday, die verklaard hebben dat hun werk geïnspireerd werd door hun geloof. De auteurs noemen ook wel voorbeelden van religieuze krachten die de wetenschappelijke vooruitgang hebben vertraagd, maar trekken daaruit geen conclusies. Dat maakt de idee van het kielzog iets minder overtuigend.
De aanname dat natuurwetenschap zich niet richt op ultieme vragen lijkt me ook niet houdbaar. Kosmologen bestuderen het gehele universum en zijn geschiedenis. Natuurkundigen zijn op zoek naar de unificatietheorie, die de verschillende fundamentele theorieën in de natuurkunde met elkaar verenigt. De moleculaire biologie en de genetica stellen fundamentele vragen over het leven en creëren regelmatig nieuwe morele dilemma’s. De neurowetenschappen trachten de menselijke geest te doorgronden.

 

Verrijkend

Ondanks het feit dat niet iedereen overtuigd zal zijn van de hypothese van de auteurs, hebben zij toch een zeer lezenswaardig boek geschreven. Mag het als filosofisch betoog te kort schieten, als historisch exposé is het zeker geslaagd. Het laat zich lezen als een verzameling korte verhalen, waarvan elk een grote wetenschappelijke vooruitgang beschrijft. Op deze wijze worden de hoogtepunten uit de geschiedenis van de natuurwetenschap behandeld. Het boek bevat bovendien veel mooie illustraties die het geheel ondersteunen.
The Penultimate Curiosity is ook een verademing in een tijd waarin veel boeken verschijnen die uitgaan van een conflict tussen natuurwetenschap en religie. Denk bijvoorbeeld aan de atheïstische publicaties van Richard Dawkins. Het boek van Wagner en Briggs past goed in de traditie van Reijer Hooykaas’ Religion and the Rise of Modern Science (1972), Arie van den Beukels De dingen hebben hun geheim - gedachten over natuurkunde, mens en God (1990) en meer recent Alvin Plantinga’s Where the Conflict Really Lies: Science, Religion, and Naturalism (2011).
De auteurs nemen een duidelijk standpunt in ten aanzien van de relatie tussen wetenschap en religie. Ze tonen aan dat wetenschap niet in conflict hoeft te zijn met christelijk geloof. In plaats van wetenschap en religie tegenover elkaar te stellen, zou je ze ook kunnen vergelijken met partners in een dialoog. Ze respecteren elkaar en accepteren elkaars per spectieven. In The Penultimate Curiosity laten Andrew Briggs en Roger Wagner niet alleen zien dat dit mogelijk is, maar ook dat het ver rijkend is om de relatie tussen wetenschap en
religie zo te benaderen.

 

Recensie van: Roger Wagner and Andrew Briggs, The Penultimate Curiosity, How Science Swims in the Slipstream of Ultimate Questions, Oxford: Oxford University Press, 2016, 512 pagina’s

Deze recensie is eerder verschenen in Radix, Vol. 42, nr. 4