Rutten en De Ridder, En dus bestaat God (2015)

  • Geschreven door  Marcel Sarot
  • Gepubliceerd in Boeken

Het schrijven van deze recensie heeft mij hoofdbrekens gekost. Wie de simplistische atheïstische redeneringen van mensen als Richard Dawkins heeft gelezen, verlangt stilletjes wel eens naar iets soortgelijks van gelovige kant. Anders kan gemakkelijk de indruk ontstaan dat geloven inderdaad irrationeel is. Dit boek beantwoordt aan dit verlangen, bespreekt acht soorten argumenten voor het bestaan van God en wil laten zien dat geloof in God "intellectueel gezien op meer dan solide grond" staat (15). Ik zou er dus blij mee moeten zijn, maar ik moet eerlijk zeggen dat ik aan de lezing bijna net zo’n vervelend gevoel heb overgehouden als aan de boeken van Dawkins en de zijnen. Enerzijds wil ik dit boekje dus niet de grond in boren, en denk ik zelfs dat het wellicht in een behoefte voorziet, maar anderzijds kan ik er niet warm voor lopen. Integendeel zelfs.


Passie


Laat ik beginnen de kwaliteiten van deze publicatie te loven. Emanuel Rutten en Jeroen de Ridder bespreken in helder Nederlands wat zij zien als de beste argumenten voor het bestaan van God. Zij zijn beiden filosoof en verbonden aan het Abraham Kuyper Centrum van de Vrije Universiteit. Hun deskundigheid is boven elke twijfel verheven. Zij schrijven met passie over hun onderwerp, en toch blijft hun betoog in het algemeen bewonderenswaardig helder. De auteurs introduceren acht typen argumenten: het Leibniziaans argument, het kosmologisch argument, het fine-tuning argument, het argument vanuit natuurwetten, het ontologisch argument, het modaal-epistemische argument, het morele argument en het argument vanuit religieuze ervaring. Van de meeste van die argumenten geven zij een goede, heldere beschrijving, waarbij uit alles blijkt dat zij goed op de hoogte zijn van de actuele literatuur. Het boek is dus up-to-date. Bovendien bespreken zij een aantal belangrijke tegenwerpingen. Daar komt dan nog bij dat het boekje aardig geïllustreerd is. Voeg daaraan toe dat zij een mij sympathieke underdogpositie verdedigen (de rationaliteit van christelijk geloof), en er lijkt weinig te wensen meer over te blijven.

 

Weerbarstiger


Helaas is de werkelijkheid weerbarstiger. Mij zitten een aantal kleine dingen dwars, die het boek niet waardeloos maken, maar de bruikbaarheid toch sterk verminderen. Sommige hoofdstukken geven zo’n helder overzicht van de hedendaagse discussie, en zijn zo goed geworteld in de hedendaagse literatuur, dat je ze graag als eerste inleiding aan studenten zou aanbevelen. Dan is het echter wel een bezwaar dat literatuurverwijzingen geheel ontbreken. Nu zou je kunnen denken dat die in een populair-wetenschappelijk boek niet nodig zijn, maar zó populair is dit boek niet. Het is behoorlijk technischer dan het ruim een jaar oudere boek God bewijzen: Argumenten voor en tegen geloven van VU-collega’s Stefan Paas en Rik Peels (2013). Paas en Peels schrijven voor leken, terwijl Rutten en De Ridder veel technische begrippen gebruiken die zij slechts kort introduceren. Een literatuurlijst had niet misstaan. Vervolgens vraag ik mij ook af, of de auteurs inderdaad de beste argumenten bespreken. Eén van de acht hoofdstukken is gewijd aan een argument van Rutten zelf, dat ik hier in zijn eigen samenvatting weergeef:
1. Als een bewering mogelijk waar is, dan is die bewering kenbaar (eerste uitgangspunt).
2. Als een bewering onkenbaar is, dan is die bewering noodzakelijk onwaar (volgt uit 1).
3. De bewering ‘God bestaat niet’ is onkenbaar (tweede uitgangspunt).
4. De bewering ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onwaar (volgt uit 2 en 3).
5. Het is noodzakelijk waar dat God bestaat (conclusie, volgt uit 4). (113)

 

Denkbaar


Als ik even afzie van het feit dat het niet getuigt van bescheidenheid als je jezelf plaatst in het rijtje Anselmus van Canterbury, Thomas van Aquino, Gottfried Wilhem Leibniz, als bedenker van één van de beste argumenten voor het bestaan van God, is het bovendien de vraag of dit echt zo’n sterk argument is. Uitgangspunt (1) stelt ons al direct voor grote problemen. Dat laat zich uitleggen aan de hand van een voorbeeldzin: slavernij is moreel aanvaardbaar. Je kunt er over twisten of dat een bewering is, maar voor de auteurs is dat zo (zie hoofdstuk 7). In onze tijd zijn wij het erover eens dat deze bewering onwaar is, maar er is een tijd geweest dat mensen hier anders over dachten. Zij is dus mogelijk waar. Betekent dit dat zij ook kenbaar is? Er zijn nog veel meer beweringen die onkenbaar zijn, maar wel mogelijk waar, bijvoorbeeld beweringen die zich afspelen op zoveel lichtjaren van het dichtstbijzijnde levende wezen, dat er niet één kenner is die ze kan kennen. De auteurs hebben daar een oplossing voor; in zo’n geval is het altijd denkbaar dat een alwetende God ze kent. Maar dat veronderstelt een aanname die veel atheïsten niet zo gemakkelijk zullen toegeven: dat het denkbaar is dat God bestaat. Deze aanname wordt ook later in het argument verondersteld en daar zelfs nog aangescherpt, wanneer wordt gesteld dat de bewering dat God niet bestaat, onkenbaar is. Voor veel atheïsten is dit onverteerbaar. Zij zullen betogen dat de gedachte van een immaterieel en toch bewust wezen contradictoir is: bewustzijn is gekoppeld aan perspectief, en dus aan locatie en materialiteit. Dan is het bestaan van een alwetende God ondenkbaar (Alfred Ayer). Ofwel zij zullen betogen dat de vooruitgang in de wetenschap ons heeft laten zien dat God niet bestaat: dan kunnen wij dus weten dat God niet bestaat (Richard Dawkins, Herman Philipse). Veel atheïsten zullen bij dit argument dus op eenvoudige wijze afhaken omdat het iets veronderstelt wat zij niet geloven.

 

Waar zijn de atheïsten?


Daarmee ga ik geleidelijk over van de minder belangrijke zwakheden van dit boek naar de meer belangrijke zwakheden: de auteurs redeneren alsof er geen atheïsten bestaan. Niet alleen bespreken zij de argumenten tegen God van atheïsten niet, maar ook veronderstellen zij zonder nadere argumentatie de waarheid van allerlei beweringen die atheïsten voor onwaar of zelfs voor onmogelijk houden. Het boekje lijkt wel in een vacuüm ontstaan, met als gevolg dat de apologeet die zich de argumentatie van De Ridder en Rutten eigen maakt en een echte atheïst tegenkomt, binnen de kortste keren met zijn mond vol tanden zal staan. Het is niet onwaarschijnlijk dat die atheïst een boek als Wij zijn ons brein heeft gelezen, en denkt dat immaterieel bewustzijn een onmogelijkheid is. Dan heb je niet veel meer aan het boek van Rutten en De Ridder. Hun specifieke Godsdefinitie verkleint deze problemen niet, maar maakt ze eerder groter. "God definiëren wij eenvoudig als de immateriële persoonlijke eerste oorzaak van de wereld." (13) Dit is een in diverse opzichten problematische definitie, en de poging om dat te verhullen door het ‘eenvoudig’ te noemen, is wel heel doorzichtig. De atheïst zal zeggen: alle personen die wij kennen zijn belichaamd. Kan een onlichamelijke persoon bestaan? Dat hangt van ons persoonsbegrip af. Maar daar zeggen de auteurs dan weer niets over. Ook een christen zal hier echter op zijn hoede zijn: is God één persoon of drie personen? Nu kun je denken (en velen denken het ook): in zo’n vraag gaat het over de finesses van de christelijke theologie. Laten wij nu eerst maar eens aantonen dat God bestaat. Dan kunnen wij later nog wel laten zien dat de God die bestaat de eigenschappen heeft die christenen aan Hem toeschrijven. Dit is ook de positie van De Ridder en Rutten (13). Hier zit echter een risico aan vast: als je begint bij abstracte redeneringen over het Opperwezen van de filosofen, kom je dan ooit nog wel uit bij de Vader van Jezus Christus? De auteurs zijn hierover optimistischer dan ik. Ook als christen heb ik dus moeite met dit boekje. De auteurs scheppen zich een god naar eigen beeld en gelijkenis: een reëel bestaand persoon. Niet alleen het persoon-zijn van God behoeft toelichting, ook Gods bestaan heeft zo’n toelichting nodig. Als christenen belijden wij niet dat God bestaat, maar ons geloof in God. Die twee hebben raakpunten, maar zij zijn niet hetzelfde. Het woord ‘bestaan’ heeft een andere betekenis wanneer wij zeggen dat God bestaat dan wanneer wij zeggen dat Jeroen de Ridder bestaat. Jeroen de Ridder kunnen wij bijvoorbeeld direct waarnemen, God niet. De auteurs lijken helemaal niet te zien dat het woord ‘bestaan’ van betekenis verandert wanneer wij het op God toepassen – en daarmee maken zij het hun tegenstanders wel heel gemakkelijk.

 

Niet lezen


Een laatste bezwaar tegen dit boekje is het gebrek aan historisch bewustzijn van de auteurs. Zij lijken zich er niet van bewust dat auteurs uit het verleden werkten vanuit andere vooronderstellingen dan wij en vanuit die vooronderstellingen anders redeneerden. Zo was Anselmus van Canterbury een platonist in die zin, dat hij dacht dat alles wat wij kunnen denken, ook echt bestaat, namelijk in ons verstand. Sommige denkbaarheden bestaan alleen in ons verstand, andere bestaan ook op andere wijze in onze werkelijkheid. Rutten leest in Anselmus zijn eigen opvattingen in: er zijn twee soorten bestaanswijzen, namelijk bestaan in het verstand en bestaan in de werkelijkheid, en één en hetzelfde ding kan niet op beide manieren bestaan. In feite werkt Rutten hier aan een rationele reconstructie van het argument van Anselmus tegen de achtergrond van zijn (i.e. Ruttens) eigen metafysica, maar hij maakt het onderscheid tussen intentionele interpretatie en rationele reconstructie niet en doet alsof Anselmus schrijft wat Rutten vindt dat hij had moeten schrijven. Misschien komt hij zo tot een betere versie van het ontologisch argument – daarover valt te discussiëren – maar in ieder geval draagt hij niet bij aan ons begrip van Anselmus.
Kortom, het is goed dat er christenen zijn die laten zien dat het ook mogelijk is een simplistisch boek met argumenten vóór God te schrijven: een boek dat naar theïsme toe redeneert zonder een zweem van intellectuele twijfel of zelfs maar nuancering. Dawkins deed hetzelfde met het atheïsme, maar slaagde er nergens in recht te doen aan het christendom. Evenmin doen Rutten en De Ridder recht aan het atheïsme – en zelfs niet aan christelijk geloof. Daaom: het is goed dat dit boek er is, maar ik kan het niet ter lezing aanbevelen.

 

Prof. Dr. M. (Marcel) Sarot is godsdienstfilosoof en theoloog en als hoogleraar fundamentele theologie verbonden aan de Tilburg school of Catholic Theology.

 

Deze recensie verscheen eerder in Radix, V.42, nr. 1 (2016)

Uitgebreid zoeken

Categorie
Tag
Auteur
Tekst