Wade, Het geloofsinstinct. Het succes van religie (2010)

De Franse zeventiende-eeuwse wetenschapper Blaise Pascal schreef er over in zijn geheime notities die later zijn uitgegeven onder de titel ‘Gedachten’: ieder mens kent een leegte die hij probeert te vullen, maar die alleen gevuld kan worden door God. De moderne wetenschap kan weinig met een ingeschapen verlangen naar God. Toch kent de mensheid een duidelijke neiging tot religiositeit. Zelfs de secularisatiegolf van de afgelopen vijftig jaar heeft daar weinig aan afgedaan. Er gaan dan wel veel minder mensen naar de kerk, het aantal mensen dat zich bezighoudt met spiritualiteit blijft onverminderd hoog.

 

Volgens sommigen is religie een soort onbedoeld neveneffect van de ontwikkeling van ons brein. Een schadelijk effect bovendien, want het zet mensen aan tot geweld en het brengen van kostbare offers, zowel materieel als in tijd. Religie is daarom iets dat bestreden moet worden. Een bekende vertegenwoordiger van dit idee is de Britse evolutiebioloog Richard Dawkins die er zijn vuistdikke boek God als misvatting over schreef.


In zijn boek Het geloofsinstinct gooit wetenschapsjournalist Nicholas Wade het over een heel andere boeg. Hij erkent dat religie belangrijk is geweest in de geschiedenis van de mensheid, en dat voor heel veel mensen nog steeds is. De vraag die hij vervolgens stelt is hoe religie is ontstaan en hoe religieus gedrag vanuit een evolutionair perspectief kan worden verklaard. Hij bestrijdt de stelling van Dawkins dat religie schadelijk is, volgens Wade helpt het – excessen daargelaten – juist om te overleven.


De evolutionaire achtergrond van religie hoeft volgens Wade geen probleem te zijn voor gelovigen: “Dat de psyche door de evolutie is voorbereid om in goden te geloven is noch een bewijs van het feit dat zij bestaan, noch een weerlegging ervan”, schrijft hij in het eerste hoofdstuk. Vervolgens probeert hij te beschrijven hoe religie is ontstaan en waarom het nuttig is.


Helaas blijkt de aanpak van Wade onzorgvuldig en weinig overtuigend. Hij beweert van alles maar levert bitter weinig bewijs. Daarbij is hij regelmatig nogal onzorgvuldig. Aannames worden herhaald tot het feiten lijken. Hij beschrijft de vroegste religieuze praktijken die – volgens archeologen – zo’n 50.000 jaar geleden zijn ontstaan alsof hij er zelf bij was. In een passage over het gewelddadige verleden van de mensheid schrijft hij dat de moderne mens (homo sapiens) zich in Europa kon vestigen omdat de “afschrikwekkende Neanderthalers” door hen waren “uitgeroeid”. Dat Neanderthalers afschrikwekkend waren staat nogal ter discussie, net als de reden waarom deze mensensoort van de aardbodem verdween. Dit soort duidelijke fouten doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van het boek.


Religie ontstond volgens Wade als een manier om de eenheid in groepen jagers-verzamelaars te vergroten, via rituele dans en bijbehorende muziek. In die tijd waren er geen priesters, iedereen kon meedoen en contact krijgen met de geestenwereld. Toen de landbouw zijn intrede deed en mensen in grotere aantallen bij elkaar gingen wonen, was er meer structuur nodig. Een priesterklasse claimde exclusieve toegang tot het bovennatuurlijke.


Dit soort religies is in de bewoordingen van Wade ‘ontworpen’. Door wie en hoe, dat laat hij echter in het midden.


Wanneer Wade verderop de oorsprong van de drie grote monotheïstische religies - Jodendom, christendom en islam – komt hij veelvuldig tot merkwaardige uitspraken. Het Jodendom, aldus Wade, was beperkt tot één volk. Maar: “De ontwerpers van het christendom begrepen hoe een aan de mysteriecultus ontleende aanpassing van de joodse religieuze traditie de tribale grenzen van het Jodendom kon overschrijden. Daar slaagden ze zo goed in dat ze een wereldrijk veroverden en een beschaving bepaalden.” Zelfs voor wie niet gelooft dat de God van het christendom echt bestaat is dit een uitspraak die veel te kort door de bocht is. Alsof het christendom net als een moderne verkiezingscampagne is opgezet door ‘spindoctors’.


Voor de oorsprong van de Islam beperkt Wade zich vrijwel geheel tot wat hij noemt de ‘revisionistische visie’ die, erkent hij, nog niet echt geaccepteerd is. Deze houdt onder meer in dat de persoon Mohammed nooit heeft bestaan. Het woord muhammad zou ‘de uitverkorene’ betekenen, en geen eigennaam zijn. De veroveringen van Mohammed en zijn vroege volgelingen zouden nooit hebben plaatsgevonden, maar werden in de achtste eeuw bedacht om de toenmalige politieke situatie te legitimeren. Wade maakt nergens duidelijk waarom hij alleen deze verklaring voor het ontstaan van de islam geeft.


In een hoofdstuk over religie en oorlogsvoering stelt Wade dat godsdienst maar zelden de oorzaak van oorlogen is. Religie is wel een factor die wordt gebruikt bij het voeren van oorlogen. Het is dus een middel en geen doel. Op zich een terechte en welkome observatie, maar helaas is ook dit keer de uitwerking van de stelling uiterst mager.


En zo gaat het telkens. Met veel aplomb worden dingen beweerd, het bewijs blijft keer op keer achterwege. Dat is jammer. Een degelijke studie naar de nuttige bijdrage van religie zou interessant zijn in een tijd waarin – zeker in het Westen – godsdienst steeds verder naar het privédomein wordt verbannen.


Ten slotte, Wade probeerde in het eerste hoofdstuk de gelovige lezers gerust te stellen, dat zijn benadering niet uitsluit dat er een god bestaat. Inderdaad, het idee dat religie een ‘instinct’ is, komt op zich prima overeen met de gedachte van Pascal, dat ergens in ieder mens de hunkering naar God aanwezig is. Maar in de uitwerking schetst hij religie voortdurend als een menselijke uitvinding, zijn spreken over de ‘ontwerpers’ van religie zal gelovige lezers zeer zeker niet aanspreken. Ook daarin toont de auteur zich onzorgvuldig.  Het idee achter dit boek is boeiend, maar de uitwerking is bedroevend.

 

Recensie van Nicholas Wade, Het geloofsinstinct. Het succes van religie (Amsterdam 2010) 334 blz, €24, 95
Eerder verschenen in het Nederlands Dagblad

Uitgebreid zoeken

Categorie
Tag
Auteur
Tekst