Het gelijk van mens en dier

  • Geschreven door  Jaël de Kool - van der Woude
  • Gepubliceerd in Artikelen

Sinds 2006 wordt de Nederlandse bevolking in de Tweede Kamer vertegenwoordigd door onder andere de Partij voor de Dieren. Ook de dieren hebben tegenwoordig dus indirect een stem als het gaat om politieke wetgeving. Ondanks dat het gaat om twee van de honderdvijftig zetels in de Tweede Kamer, is het welzijn van het dier een onderwerp dat regelmatig terugkomt op de politieke agenda. Ook alle andere partijen worden door deze invloed van de Partij voor de Dieren gedwongen om na te denken over de vraag hoe de maatschappij om dient te gaan met dieren.
Hoewel er algemene overeenstemming is dat dieren er toe doen en dat het mishandelen van dieren verboden is, blijven er nog vele vragen ter discussie open. Hoe ver moeten we gaan in het rekening houden met het belang van het dier? Moeten dieren net als mensen bepaalde rechten krijgen? En zou dat betekenen dat dieren hun eigen advocaat kunnen inhuren en bijvoorbeeld hun eigenaar zouden kunnen aanklagen?

Sinds 1981 wordt in de Nederlandse wetgeving als uitgangspunt de intrinsieke waarde van het dier genoemd. Toch blijft het lastig hoe we deze term moeten interpreteren. Discussies kunnen hoog oplopen als het gaat over het onverdoofd ritueel slachten, het toestaan van megastallen of het beheer van paarden en runderen in de Oostervaardersplassen. In hoeverre heeft het dier bescherming nodig? En hoe moeten we dan de belangen van de mens afwegen tegenover die van de dieren?

Om het belang van het dier te benadrukken wordt vaak verwezen naar de overeenkomsten tussen dieren en mensen. Maar wat zeggen deze overeenkomsten ons over hoe we met dieren om moeten gaan? En in hoeverre zijn de verschillen tussen mens en dier essentieel; of is er enkel maar een gradueel verschil tussen mens en dier? In dit artikel zal ik de verschillen en overeenkomsten tussen mensen en dieren bekijken vanuit de sociale en culturele context waarin zowel mens als dier leeft. Vanuit deze context wil ik laten zien dat zowel de mens als het dier een eigen positie inneemt, waar vanuit ook de scheppingsopdracht uit Genesis 1 begrepen kan worden.

De filosofen


Het onderwerp over de positie van mens en dier is binnen de filosofie altijd aan de orde geweest. Bij Aristoteles, Aquino, Descartes en Kant wordt een duidelijke onderscheid gemaakt tussen mens en dier. Hoewel er altijd wisselend gedacht is over hoe we dieren zouden moeten behandelen is het altijd de mens die centraal staat: het dier heeft geen waarde in zichzelf en mag als instrument in dienst van de mens worden gebruikt.

In de twintigste eeuw heeft een duidelijke verandering plaatsgevonden in de waarde die toegekend wordt aan het dier.

In de twintigste eeuw heeft een duidelijke verandering plaatsgevonden in de waarde die toegekend wordt aan het dier. De vraag kwam op in hoeverre we onszelf als mens centraal mogen stellen. Een van de belangrijkste filosofen die een grote invloed heeft gehad binnen de ethiek rondom dieren en vandaag de dag nog steeds populair is, is Peter Singer. Van deze Australische filosoof is in 1975 het boek Animal Liberation verschenen, waarin hij kritisch onze omgang met dieren onder de loep neemt. Volgens Singer is het moreel onverantwoord om ons handelen te laten bepalen door de biologische soort waartoe een individu behoort. Dieren hebben bepaalde behoeften en hier zouden we op dezelfde manier rekening mee moeten houden als met dezelfde behoeften van mensen. Mensen hebben de behoefte om geluk en plezier te ervaren en om beschermd te worden tegen pijn, stress en lijden. In zijn boek maakt Singer met een aantal argumenten duidelijk dat het vandaag de dag geaccepteerd is dat ook dieren pijn kunnen voelen. Daarmee zijn ze dan ook in staat om lijden en stress te ervaren. Singer vindt het dan ook ongehoord om een verschil te maken tussen mens en dier als het gaat om moreel handelen met betrekking tot het toedienen van pijn. Als bijvoorbeeld mensen niet tegen hun wil gebruikt mogen worden voor medisch onderzoek, wanneer dit pijn en stress oplevert, waarom zou dit dan niet voor dieren gelden? Om de vraag te beantwoorden of we dieren dan wel pijnloos zouden mogen doden, moet volgens Singer natuurlijk rekening gehouden worden met capaciteiten als abstract denken, het plannen van de toekomst en het hebben van betekenisvolle relaties. Maar ook hierbij mag niet geoordeeld worden op basis van het behoren tot een bepaalde biologische soort. Sommige mensen, zoals baby’s of mensen met een zware handicap, hebben namelijk minder zelfbewustzijn dan een volwassen aap of hond. Ook hebben ze minder besef van toekomst en zijn ze zich minder bewust van betekenisvolle relaties (Singer 2009: 19). We moeten in ons moreel handelen dus altijd evenveel respect geven aan het leven van dieren als aan mensen met een zelfde mentaal niveau (Singer 2009: 21). Hieruit volgt dat als we een mensenbaby niet willen gebruiken voor medisch onderzoek, we hiervoor ook geen volwassen hond kunnen gebruiken. Volgens Singer kan het feit dat een dier niet tot dezelfde biologische soort behoort als de mens dan ook nooit een argument zijn om geen rekening te houden met het feit dat ook dieren in staat zijn om pijn te lijden of bepaalde mentale capaciteiten bezitten.

Speciesisme


Singer noemt deze discriminatie op basis van soort speciesisme. Net zoals we racisme veroordelen wanneer we ons handelen laten bepalen door de huidskleur van een individu, of seksisme als we onderscheid maken op basis van geslacht, is het volgens Singer ongeoorloofd om onderscheid te maken op basis van de biologische soort waartoe een individu behoort. Deze vergelijking met racisme en seksisme is terug te vinden in het verkiezingsprogramma van de Partij voor de Dieren voor de Tweede Kamerverkiezingen van 2010. Daarin stelt zij: “Er is een beschavingsoffensief noodzakelijk dat vergelijkbaar is met de strijd van weleer tegen de onderdrukking van vrouwen, kinderen en slaven.” (Partij voor de Dieren 2010: 5)

Cliteur: ruimte voor erkennen rechten van het dier

Ook de Nederlandse rechtsfilosoof Paul Cliteur sluit zich bij Singer aan. In 2001 verscheen van hem het essay ‘Darwin, dier en recht’, waarin hij beargumenteert waarom er naast de rechten van de mens ook ruimte zou moetenzijn voor het erkennen van de rechten van het dier. Beschermwaardig is volgens Cliteur het leven van een persoon, wat vervolgens niet identiek hoeft te zijn aan het leven van een mens. Sommige mensen zijn volgens Cliteur geen personen (meer) en sommige dieren kwalificeren wel voor de status van persoon (Cliteur 2001: 89). Waar mensen met een ernstige handicap, baby’s of demente ouderen weinig besef van tijd en toekomst hebben, hebben sommige apen dit wel. Waar Singer het niet over rechten voor zowel mensen als dieren wil hebben, noemt Cliteur wel de rechten van het dier als belangrijk om te erkennen. In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 zijn volgens Cliteur rechten van de mens aanvaard op basis van intrinsieke waardigheid. De grondslag voor deze waardigheid wordt niet ontleend aan een goddelijke scheppingswil, maar aan een autonome waardigheid die niet ergens van is afgeleid (Cliteur 2001: 47). Daarom is het ook een logisch gevolg dat op het moment dat we dieren beschouwen als ‘waardig’ in zichzelf, we ze ook rechten zouden moeten toekennen. Cliteur concludeert dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens vervangen zou moeten door de Universele Verklaring van de Rechten van Lijdende Wezens (Cliteur 2001: 108).
Zowel bij Singer als Cliteur zien we dat de capaciteit om pijn te kunnen ervaren belangrijk is om beschermwaardigheid toe te kennen. Ze stellen beide dat ons moreel handelen niet moet afhangen van de biologische soort waartoe een individu behoort. Het zijn namelijk de capaciteiten van het individu die bepalen welke mate van beschermwaardigheid toegekend moet worden. Omdat er geen essentieel onderscheid gemaakt wordt tussen mens en dier, kan hierdoor een grote nadruk worden gelegd op de beschermwaardigheid van het dier. Het probleem wat hier echter bij ontstaat is dat de beschermwaardigheid van de individuele mens niet voor iedereen gelijk is. Ook de beschermwaardigheid van de mens wordt beoordeeld op basis van individuele capaciteiten. Dit probleem wordt veroorzaakt doordat Singer en Cliteur zowel mens als dier enkel bekijken vanuit het biologische functioneren. Vanuit biologisch perspectief zijn verschillen aan te wijzen tussen mens en dier. Maar kan de biologie ook aangeven of deze verschillen enkel gradueel, dan wel degelijk essentieel zijn?

De biologen

 

Een van de belangrijkste argumenten om geen onderscheid te maken op basis van soort, maar enkel op basis van capaciteiten is de geleidelijke evolutie van dier naar mens in de ontstaansgeschiedenis. Als de mens uit niets anders voorkomt dan het dier, waarom zouden we dan het dier zoveel minder achten dan onszelf? Toch is de manier waarop de verschillende biologische soorten zijn ontstaan niet van belang in de discussie over de overeenkomsten en verschillen tussen mens en dier. Wel is het van belang wie en wat mensen en dieren in de werkelijkheid van vandaag zijn. Namelijk, onafhankelijk van de manier van het ontstaan van de complexe diversiteit in de werkelijkheid, zijn er nu eenmaal bepaalde overeenkomsten tussen mens en dier. Sinds de ontdekking van het DNA-molecuul en het vergelijkend DNA-onderzoek is gebleken dat er veel overeenkomsten zijn tussen de genen van dieren en mensen.

Zijn de verschillen tussen mens en dier enkel gradueel?

Een vergelijking tussen het DNA van mens en chimpansee levert een overeenkomst op van ongeveer 96%. Dit verschil is erg klein in vergelijking met het tien keer zo grote verschil tussen muis en rat (Spencer 2005). Binnen de biologie is er veel onderzoek gedaan naar de bouw en functie van organen en zintuigen. Ook hieruit komen veel overeenkomsten naar voren. Zoveel zelfs dat er een aantal micro-organismen is die zowel ziekte bij dieren als bij mensen kan veroorzaken, bijvoorbeeld hondsdolheid, tuberculose, de ziekte van Weil, vogelgriep en Q-koorts. Het algemene bouw- plan van mens en dier komt eveneens overeen. Veel soorten hebben vier ledematen, twee ogen, twee oren, een neus, een mond en het lichaam is vaak onderverdeeld in hoofd, romp en achter-/onderlijf. Ook wat betreft de mogelijkheid om pijn te kunnen voelen zien we veel overeenkomsten tussen de meeste zoogdieren en mensen. De bouw van specifieke pijnsensoren van verschillende diersoorten en de mens komen sterk met elkaar overeen. Om deze pijn bewust te kunnen voelen is er signaaloverdracht nodig van de pijnreceptor naar de hersenen en de hersenschors. Deze banen zijn bij de meeste zoogdieren aanwezig. Door deze overeenkomsten tussen mens en dier wat betreft de neuronanatomie en de neurofysiologie wordt binnen de diergeneeskunde gebruik gemaakt van het analogiepostulaat. Dit betekent dat we ervan uit mogen gaan dat ingrepen die bij de mens als pijnlijk bekend staan, voor het dier ook als pijnlijk zijn. Vanuit dit postulaat kan bij de behandeling van dieren gekozen worden voor adequate pijnbestrijding en anesthesie. Aanwijzingen voor dit postulaat zijn dat dieren wegkruipen, kreupel lopen of hard piepen op het moment dat ze een pijnstimulus krijgen toegediend (Hellebrekers 2000: 4).
Aangezien het bouwplan tussen de mens en sommige zoogdieren zo overeenkomt, zien we ook veel overeenkomsten tussen het gedrag en capaciteiten van dieren en mensen. In tegenstelling tot planten, is zowel mens als dier in staat om op zijn omgeving te reageren en zijn omgeving zelf enigszins te manipuleren. Mens en dier reageren op pijn, vluchten als er gevaar dreigt en zijn in staat om zich actief te beschermen tegen wisselingen in de omgeving, door bijvoorbeeld nesten, holen of huizen te bouwen. Verder zijn er wat betreft voortplanting veel overeenkomsten. Seksualiteit, het baren van levend nageslacht en het zogen van de jongen of geven van borstvoeding zijn voor de meeste van de zoogdieren gelijksoortige gedragingen.

Unieke soort

 

Toch is het dierenrijk onderverdeeld in verschillende soorten (species) en heeft elke soort haar eigen unieke kenmerken heeft. Ook Homo sapiens, de mens, is biologisch gezien een aparte soort. Het unieke van deze soort is dat ze op twee benen loopt, geen staart heeft en een groot hersenvolume heeft. Hierdoor hebben mensen een sterk analytisch vermogen en de mogelijk heid van het gebruiken van taal. Maar hoewel deze eigenschappen de mens uniek maken, blijft de vraag in hoeverre dat verschil in analytisch denken en de mogelijkheid tot het gebruiken van taal zoveel uitmaakt. Sommige dieren hebben namelijk ook unieke eigenschappen. Vogels kunnen bijvoorbeeld vliegen; wat vóór de uitvinding van het vliegtuig voor de mens altijd tot de verbeelding heeft gesproken. Andere diersoorten hebben de mogelijkheid om te kunnen zien in het donker, wat mensen door middel van infrarood camera’s proberen na te bootsen, maar zelf niet kunnen. Daarnaast zijn sommige eigenschappen die de mens uniek maken misschien niet zo uniek als ze lijken. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk gebleken om chimpansees gebarentaal aan te leren. De vraag blijft hoe we de verschillen tussen mens en dier moeten kwalificeren. Zijn de verschillen tussen mens en dier enkel gradueel? Of is er wel degelijk een essentieel verschil tussen mens en dier? Vanuit biologisch perspectief blijven verschillen enkel gradueel en zien we het essentiële verschil tussen mens en dier over het hoofd. De volledige betekenis van bepaalde processen komen namelijk alleen tot uiting als we het dier en mens zien functioneren in relatie tot andere aspecten van de werkelijkheid.

Sociale en culturele context van mens en dier


Om iets over de betekenis van bepaalde capaciteiten te kunnen zeggen, zullen we dus breder moeten kijken dan alleen naar de biologie. Hierbij kan de filosofie van Herman Dooyeweerd erg behulpzaam zijn. Dooyeweerd legt er in zijn werk de nadruk op dat structuren altijd functioneren in alle aspecten van de werkelijkheid (Van Woudenberg 1992: 114). Vanuit de verschillende wetenschappen kunnen we structuren (dingen, planten, dieren en mensen) beschrijven, waarbij elke wetenschap enkel één aspect van het functioneren van de structuur beschrijft. Het is in de alledaagse ervaring dat het functioneren in verschillende aspecten in verband wordt gebracht met de structuur als geheel (Van Woudenberg 1992: 128). De betekenis en de volle identiteit van structuren komt pas tot uiting in het dagelijks functioneren. Dick Stafleu neemt dit principe als uitgangspunt in zijn boek Een wereld vol relaties. In dit boek laat hij zien hoe structuren hun specifieke identiteit krijgen door de relatie die structuren uitoefenen in hun omgeving. Als we dit op dieren en mensen betrekken zien we allereerst dat de moleculen van een individu in de loop van de jaren veranderen (cellen gaan dood en nieuwe cellen komen daarvoor in de plaats) terwijl de identiteit van het individu niet verandert. Het is het gedrag van het dier dat zijn identiteit bepaalt. Een dier kan waarnemen en deze waarneming zorgt ervoor dat het dier specifiek reageert. Bijvoorbeeld, op het moment dat een leeuw een bokje waarneemt zal hij hier achteraan gaan rennen. Om dus specifiek gedrag te kunnen vertonen zijn capaciteiten nodig om waar te nemen. Zintuigen en lichaamsvorm anticiperen op het uitoefenen van gedrag en krijgen dus alleen hun volle betekenis in hun functioneren in het dier of mens als geheel.

Het essentiële verschil is dat het gedrag van de mens doelbewust is

De bouw en de functie van mens en dier komen sterk met elkaar overeen, maar deze bouw en functie anticiperen voor verschillende doelen. Zowel mensen als dieren vertonen specifieke gedragingen. Het gedrag van dieren is enkel gericht op dieren in hun eigen omgeving met als doel om zichzelf of de groep te beschermen en om te overleven. De mogelijkheid van het vliegen van vogels is bijzonder, maar heeft als doel om snel te kunnen vluchten of weg te trekken naar nieuwe leefgebieden. Het gedrag van het dier is dus altijd doelgericht en niet doelbewust, intentioneel of overwogen (Stafleu 2002: 236). Het is voor dieren onmogelijk om buiten hun eigen leefgebied te denken. Het essentiële verschil tussen mens en dier is dat het gedrag van de mens doelbewust is. Waar een dier de wereld neemt zoals deze is, probeert de mens juist de wereld te verbeteren. Alleen voor de mens krijgen goed en kwaad betekenis en de mens voelt zich geroepen om het kwaad te bestrijden. Verder is de mens in staat om doelen na te streven. Dit doelbewuste gedrag komt onder andere tot stand door de creativiteit van de mens om de cultuur te ontplooien en het vermogen om nieuwe dingen te maken. Hieruit volgt ook dat de mens in veel meer diverse leefgebieden kan overleven dan het dier. Waar het dier zich maar in beperkte mate kan aanpassen aan temperatuurswisselingen in de omgeving, kan de mens huizen bouwen, een trui breien of een cv-ketel uitvinden. Ook heeft het gedrag van de mens zoveel mogelijkheden dat er onderling veel diversiteit tussen mensen ontstaat. Hierdoor wordt veel meer nadruk gelegd op individuele identiteit. Elk mens vervult zijn eigen rol, waardoor een maatschappij haar vormt krijgt (Stafleu 2002: 246).

Geloof

 

Dit doelbewuste gedrag van de mens komt voort uit de capaciteit om te kunnen geloven. In het klein zien we dit geloof bij kinderen die kunnen dromen over het beroep wat ze later willen uitoefenen en het geloof wat ze hebben in een toekomst waarin ze een verantwoordelijkheid dragen. Dit is erg nuttig, aangezien ze hierdoor kunnen anticiperen door het maken van een bepaalde school- of studiekeuze. Bij het volwassen worden groeit deze capaciteit om te kunnen geloven uit tot een geloof over de kosmos en de positie van de mens in die kosmos. Sommigen geloven heel concreet in het bestaan van een god en hebben hier een relatie mee. Anderen geloven juist niet in het bestaan van een god. Op basis van dit geloof hebben mensen een bepaalde levensvisie. Door deze levensvisie laten ze zich leiden, wat het maken van bewuste keuzes tot gevolg heeft. Doordat de mens in staat is om bewuste keuzes te kunnen maken heeft de mens verantwoordelijkheid.
Het zijn dan ook niet de omvang van de hersenen of de mogelijk om taal te gebruiken die aangeven dat er een verschil is tussen mens en dier, maar de plek en het doel die mens en dier hebben in de werkelijkheid. Structuur en capaciteiten hebben geen betekenis in zichzelf, maar anticiperen op een bepaald doel. Zowel de mens als de meeste dieren hebben twee ogen. Dat is functioneel om diepte te kunnen zien en te weten op welke afstand je prooi zich bevindt. Maar het essentiële verschil is dat voor de mens zijn ogen ook van belang zijn om een waardeoordeel te geven over mooie of minder mooie dingen. Ook twee oren zijn voor mens en dier van belang om te weten uit welke richting geluid komt. Maar alleen de mens is in staat om actief van muziek te genieten en muziek te maken. Een mond is van belang om te kunnen proeven of het voedsel wel eetbaar en veilig is. Voor de mens staat de maaltijd daarnaast in het teken van een sociale bijeenkomst met ‘lekker’ eten. Voor sociale dieren is communicatie belangrijk om een groep te vormen, maar alleen met de capaciteit van de taal is het mogelijk om abstracte symbolen te gebruiken en uit te leggen, fictie te vertellen en te verwijzen naar een (mogelijke) werkelijkheid buiten onszelf. Het is de mens die buiten zijn eigen leefomgeving kan denken en daaruit ook leeft. Door buiten zijn eigen leefwereld te denken is de mens ook in staat om te reflecteren op zijn daden en een onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Zelfs de meest sociale dieren, zoals mensapen, olifanten en dolfijnen, zijn alleen in staat om binnen hun eigen sociale leefwereld te denken en te functioneren.

De mens als heerser over de schepping


Dit verschil tussen mens en dier komt heel duidelijk terug in het scheppingsverhaal uit Genesis 1. Op de vijfde dag schiep God de vogels en de vissen en op de zesde dag de overige dieren en de mens. Mens en dier krijgen daarbij verschillende opdrachten. De dieren krijgen de opdracht om overal op aarde en in de zee talrijk te worden (Genesis 1,22-24). De mensen krijgen daarnaast nog de opdracht om de aarde onder haar gezag te brengen en te heersen over de vissen, de vogels en alle overige dieren (Genesis 1,28). De mens is in staat om doelbewust in de wereld te leven en vanuit deze positie is hij in staat om te heersen over de schepping. Sinds het begin van de schepping zien we dan ook dat de mens dieren onder zijn gezag heeft gebracht. Het was niet God die namen gaf aan de dieren, maar Adam zelf die elk dier een naam gaf. Mensen hebben dieren gedomesticeerd en vandaag de dag worden dieren in verschillende contexten gehouden. En in al deze verschillende contexten draagt de mens vanuit zijn capaciteiten ook een verantwoordelijkheid. Zelfs tegenover wilde dieren heeft die mens deze verantwoordelijkheid; we kunnen wilde dieren bijvoorbeeld mooi vinden of we vinden wilde dieren belangrijk voor het behoud van een ecosysteem. Daarom willen we ze graag beschermen tegen uitsterven. Daarnaast kunnen wilde dieren ook juist een bedreiging vormen voor de mens waardoor de mens maatregelen neemt als het verjagen of het omheinen van de dieren.
De opdracht uit het eerste hoofdstuk van Genesis geeft echter enkel een scheppingsorde aan, maar zegt ons niet dat we dan ook alles mogen doen met dieren. Na de zondeval is de mens geneigd om zichzelf centraal te stellen. Heersen wordt dan een doel op zich om als mens macht te kunnen uitoefenen. Heersen kunnen we echter ook uitleggen als het ruimte bieden om de orde te handhaven en niet als het doel op zich om macht uit te oefenen. Zo heeft de overheid niet als doel op zich om macht uitoefenen over de samenleving, maar om door haar macht ruimte en orde te scheppen. Hierdoor kan de samenleving tot bloei komen en optimaal functioneren. Op dezelfde manier mag de mens als onderkoning en geschapen naar het beeld van God in dienst staan voor de vissen, de vogels en alle andere dieren. Hierbij moeten we rekening houden met het feit dat dieren in staat zijn om pijn te ervaren. Het dier heeft zeker een plaats als het gaat om ons ethisch handelen.

Menswaardigheid

 

Samengevat, pleit de biologische gelijkheid tussen mens en dier wel degelijk voor een beschermwaardigheid van het dier, aangezien het dier net als de mens in staat is om pijn te kunnen ervaren. Mens en dier moeten we echter wel in de culturele en sociale context blijven zien om niet in de valkuil te vallen individuen enkel te beoordelen op basis van capaciteiten. Waar het dier bedoeld is om dier te zijn, is de mens door God bedoeld om mens te zijn. De mens is naar het beeld van God geschapen en daardoor kan de mens ook de wil van God leren kennen om naar deze wil te leven en deze uit te dragen. De mens is bedoeld om door zijn geloof een relatie te hebben met God. Apen, dolfijnen en olifanten staan dan wel bekend om hun bij zondere sociale gedrag, ze zijn nooit in staat om dit gedrag in relatie te zetten tot goed en kwaad. De relatie tussen God en de mens is tweezijdig en de relatie tussen het dier en God is altijd maar eenzijdig.
Als we dan naar baby’s kijken, mogen we zien dat zij bedoeld zijn om uit te groeien tot volwassen mensen. Dat doel kan alleen bereikt worden als we ze als volledig mens in volle bescherming en liefde laten opgroeien. Deze bedoeling geeft ons ook de richting voor het omgaan met mensen met een handicap. De mens is in staat om goed en kwaad te ervaren en ervaart zo dat het lijden van de mens niet goed is. Ook Peter Singer erkent het lijden als iets wat niet hoort. Maar omdat hij ontkent dat er een God is, kan hij geen oorzaak aangeven voor het lijden. Singer wil graag de wereld verbeteren, maar zijn enige oplossing is het wegstoppen en het vermijden van pijn en lijden.1 Daarmee is euthanasie van mensen die uitzichtloos lijden gerechtvaardigd en in zichzelf ook juist menswaardig. Het zijn goede bedoelingen, maar het stelt daarmee ook de mens met zijn oplossingen zelf centraal. Vanuit de bijbel weten we dat pijn en lijden in de wereld zijn gekomen door de zondeval en nooit door God bedoeld zijn. Het is de mens zelf en zijn verstoorde relatie met God die pijn en lijden voortbrengt.
Wij mogen de wil van God ook kennen en deze wil ons eigen maken. Daarmee mogen we net als God pijn en lijden afkeuren, maar we moeten ook pijn en lijden onder ogen durven zien. Daarom mogen we weten dat mensen met een handicap in Gods ogen bedoeld zijn om gezond te zijn. Door het geloof weten we dat de mens zelf niet in staat is om dit probleem op te lossen. Toch mogen we Gods redding ervaren en hoop op herstel ontvangen. Het is dan ook vanuit dat perspectief dat elk mens gezien mag worden als volmaakt.

Conclusie


Als conclusie mogen we stellen dat de betekenis van mens en dier tot uiting komt in het gedrag. Ondanks alle overeenkomsten tussen mens en dier is er wel degelijk een essentieel verschil tussen mens en dier. Het gedrag van dieren is gericht op zijn eigen leefomgeving en op het overleven van zichzelf en de eventuele groep waar het dier tot behoort. Het gedrag van de mens daarentegen is doelbewust. Dit zorgt ervoor dat de mens een verantwoordelijkheid draagt voor zijn keuzes. Ook tegenover de dieren waar de mens direct of indirect mee in aanraking komt, draagt hij verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Daarom mag zeker gereflecteerd worden op de manier waarop wij met dieren omgaan. De vraag of het dier dan ook rechten heeft of zou moeten krijgen, is hier natuurlijk niet mee beantwoord. Hiervoor is een rechtsfilosofische discussie nodig. De vraag moet gesteld worden wat een recht inhoudt en wat het bijvoorbeeld betekent om een recht te hebben. Maar ondanks dat we het dier serieus moeten nemen, moeten we wel altijd onderscheid maken op basis van biologische soort. Door hun essentiële verschil kunnen we mens en dier beiden in hun volle betekenis kennen. Hierdoor is ook speciesisme heel natuurlijk en gerechtvaardigd.

Dit artikel verscheer eerder in Radix, tijdschrift over geloof en wetenschap

 

Literatuur

  • Cliteur, P. (2001). Darwin, dier en recht. Amsterdam: Boom.
  • Hellebrekers L.J. (2000). Pijn leiden. Inaugurele rede voor de leerstoel Veterinaire Anesthesiologie. Partij voor de Dieren (2010). Recepten voor mededogen en duurzaamheid. Verkiezingsprogramma Partij voor de Dieren Tweede Kamerverkiezingen
    2010.
  • Singer, P. (2009). Animal Liberation, the definitive classis of the animal movement. New York: Harper Collins Publishers.
  • Spencer, G. (2005). New Genome Comparison Finds Chimps, Humans Very Similar at the DNA Level. Laatst geraadpleegd 14 oktober 2011 via: http:// www.genome.gov/15515096.
  • Stafleu, M. D. (2002). Een wereld vol relaties. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn.
  • Van Woudenberg, R. (1992). Gelovend denken: inleiding tot een christelijke filosofie. Amsterdam: Buiten & Schipperheijn.

 

 

Uitgebreid zoeken

Categorie
Tag
Auteur
Tekst

Laatste reacties

  • Bert,
    Bedankt. Zo iets had ik ook in gedachten.En als dat het geval is geweest is er geen eerste oorzaak die de oorzaak is van de... 16-12-2018 20:52
  • Er is een prachtig boek geschreven door Amanda Gefter, "De Achtertuin van Einstein" waarin dit dilemma ten volle uitgewerkt wordt. Met... 16-12-2018 20:40
  • Eelco van Kampen zei Naar deze reactie >>>
    Precies. 16-12-2018 20:03
  • Bert Morriën zei Naar deze reactie >>>
    Jac,

    Kwantumfluctuaties treden spontaan op en hebben dus geen oorzaak nodig. Daarmee is het al direct logisch inconsistent om naar een... 16-12-2018 19:35
  • Gilbert Knuyt Schreef:
    Vooraleer je evolutie kunt hebben, moet je natuurlijk met iets beginnen. En dat begin komt natuurlijk van God.  Alles wat begint te...
    16-12-2018 18:04
  • Tuurlijk Gilbert,

    Er was eens …
    Ze leefden nog lang en gelukkig …
    Knibbel knabbel knuisje ...
    Maar kwam er een olifant met een hele... 16-12-2018 17:50