Home » Opinie » ‘Ik kan er niets aan doen’: Over vrije wil en strafrecht

‘Ik kan er niets aan doen’: Over vrije wil en strafrecht

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 5 december 2012 | 5.8 min read |

Dit zei Robert M. tegen de rechtbank die over zijn daden moest oordelen: “Ik noem het een vloek. Mijn seksuele aantrekkingskracht tot kinderen heb ik opgelegd gekregen. Ik kan zelfmoord plegen of accepteren dat ik niet zonder kinderen kan leven.” En als we de nieuwste wetenschappelijke inzichten moeten geloven, zou hij wel eens gelijk kunnen hebben. Met fMRI-hersenscans zou met 95% betrouwbaarheid het brein van een pedo te herkennen zijn.

Er werd al snel gepleit voor toepassingen bij sollicitaties van crèchemedewerkers of in de rechtszaal. Daar is echter veel tegen in te brengen: de nog altijd grote kans op fout positieven (iemand die op de scan een pedo lijkt, maar het in werkelijkheid niet is) en het feit dat er – zowel gedragskundig als juridisch – een grote sprong zit tussen gedachten en handelingen. Oerjurist Cicero zei het al: ‘Onze gedachten zijn vrij.’

Het strafrecht afschaffen?

Juridisch gezien mag dat laatste waar zijn, maar hersenonderzoek laat juist ook zien dat onze gedachten mogelijk niet in vrijheid tot stand komen. Denk aan het prachtige experiment van Libet uit de jaren tachtig, dat vaak en beter gerepliceerd is en steeds dezelfde uitkomst geeft:  vóórdat we bewust een handeling initiëren, heeft ons brein dat al gedaan. ‘De vrije wil bestaat niet’, concluderen hersenonderzoekers als Swaab en Lamme. Dat is echter een uitgangspunt dat het fundament onder het strafrecht vandaan slaat, dat juist gebaseerd is op ‘de gewilde spierbeweging’. Als deze onderzoekers ervoor pleiten ook het strafrecht  om te vormen, wordt dat vaak weggewuifd als ‘trespassing’: ze hebben geen recht van spreken, want ze begeven zich op een terrein dat hen niet bekend is. Dit is echter te makkelijk.

Een oud pleidooi

Hoewel het wetenschappelijk ‘bewijs’ nu harder is, bestond er al in de negentiende eeuw in de strafrechtstheorie een school – de Moderne Richting – die de mens beschouwde als volledig gedetermineerd. De criminoloog Lombroso, die meende dat misdadigers op basis van schedelstructuur herkend konden, legde hier het fundament voor. Misdaad was geen product van rationele keuze, maar kwam voort uit biologische, psychologische of sociale factoren. Straf kon de oorzaken van de criminaliteit niet wegnemen, dus ‘behandeling’ van die factoren moest voorkomen dat een misdadiger opnieuw in de fout ging. Straffen werd gezien als belachelijk en zinloos. Denk aan de actie van de Perzische Koning Xerxes in de vijfde eeuw voor Christus, die de zee 300 zweepslagen liet geven, omdat ze zijn vloot had verzwolgen. Of denk aan  Basil Fawlty uit Fawlty Towers  die zijn kapotte auto streng toesprak en met een tak begon te slaan in plaats van naar de garage te brengen.

Iedereen TBS! Niet ongevaarlijk

De opkomst van de Moderne Richting bracht ons, als compromis, in 1928 de zogenaamde Terbeschikkingstelling (TBS). Geen straf, maar een maatregel waarvan de duur niet gelimiteerd wordt door ‘proportionele schuldvergelding’, maar door de gevaarlijkheid van de dader. In feite pleiten sommige hedendaagse hersenonderzoekers voor ‘maatregelrecht’, dat wil zeggen:alle misdadigers TBS. Hoewel de TBS-behandeling inderdaad veel beter dan de straf ernstige recidive weet te voorkomen (20% tegenover 50%), kleven aan dit voorstsel wel enkele gevaren, waarvan ik er vier zal noemen.

Ten eerste is de gevaarsinschatting niet waterdicht, en daarom bestaat er de kans op fout positieven (iemand die gevaarlijk wordt geacht maar het in werkelijkheid niet is). Ten tweede: als de risicofactoren niet goed met behandeling kunnen worden aangesproken – en dat is vaak zo – bestaat de kans dat iemand verkapt levenslang krijgt voor een delict dat daar mogelijk niet ernstig genoeg voor is. Mogelijk zal er weer gepleit worden voor invoering van de doodstraf voor ‘onverbeterbaren’, net als in de tijd van de Moderne Richting, bijvoorbeeld op basis van (financieel) utilisme.

Ten derde: er is wel betoogd dat juist het niet verantwoordelijk stellen, verbetering in de weg zit. Dit bracht Erasmus al in tegen Luthers predestinatieleer in hun zestiende-eeuwse heilstheologische dispuut. ‘De servo arbitrio’ tegen ‘De libero arbitrio’ . Erasmus bezwaar was dat mensen zich niet meer goed zouden gedragen om in de hemel te komen: “Dat houdt in dat de verantwoordelijkheid van de mens, die dan immers niet meer zou zijn dan leem in de almachtige hand van de pottenbakker, wordt ontkend; en waarom zou een mens zich nog inspannen om goed te leven, wanneer hij met al zijn inspanning toch niets bereikt?” Hoewel ze enigszins langs elkaar heen spraken en de verticale verhouding een andere is dan de horizontale, zou zelfs Luther dit op het strafrecht van toepassing kunnen verklaren.

Voor de TBS-behandeling is dit soort kritiek ook wel geformuleerd: hoe kan je eerst iemand niet geheel toerekeningsvatbaar achten en vervolgens van hem vragen dat hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelingen en behandeling? Eerst zeggen: ‘je kan er niets aan doen’ leidt waarschijnlijk eerder tot rechtvaardiging en acceptatie van het lot, dan tot prikkel een moeilijk proces van zelfverandering aan te gaan. 

Een beperkte visie op strafrecht

Ten slotte kan men stellen dat een dergelijk pleidooi voor ‘maatregelrecht’ – iedereen TBS – een beperkte visie op het strafrecht uitdrukt, namelijk een waarin het doel van het strafrecht wordt vernauwd tot het voorkomen van recidive van daders. Mogelijk gaat er ook nog wel enige afschrikking uit ten aanzien van nieuwe daders. Maar het strafrecht heeft niet alleen een zogenaamd ‘prospectieve’ functie, maar ook een ‘retrospectieve’. Het strafrecht is geen natuurwetenschap, maar een product van een sociaal contract. Grove schending daarvan door misdaad, maakt dat zowel het slachtoffer als de samenleving vragen om genoegdoening. Men wil verantwoording en genoegdoening, of die wil nu vrij is of niet. Als het strafrecht daar niet meer aan tegemoetkomt, kan zij een belangrijk prospectief doel missen: het voorkómen van eigenrichting. Ook is een retrospectieve benadering van belang voor het idee van herstel, waarin rehabilitatie een rol heeft naast vergoeding van schade en verzoening tussen dader en slachtoffer. 

Rechtspreken

Veel wetenschappers hebben betoogd dat (een zekere) gedetermineerdheid van ons handelen nog geen niet-verantwoordelijkstelling hoeft te betekenen. Filosofen spreken over compatibiliteit of differentiëren tussen theoretische en praktische rede, gedragskundigen wijzen erop dat Libet vond dat er weliswaar geen vrijheid is om een handeling te initiëren, maar wel te inhiberen. Sowieso weten we nog weinig van het bewustzijn. Maar laat ik niet te ver buiten mijn terrein treden en dezelfde fout maken als de hersenonderzoekers die het strafrecht willen afschaffen.

Het zou echter te makkelijk zijn om inzichten uit andere wetenschappen helemaal niet relevant te achten voor het strafrecht. Maar  het strafrecht heeft sinds de Moderne Richting altijd rekening gehouden met dergelijke inzichten. Rechtspreken is niet iedereen over één kam scheren, maar een geïndividualiseerde beslissing nemen over daad en dader tegen de achtergrond van de situatie en de persoonlijke omstandigheden. Daarbij zijn alle factoren die tot de daad leidden van betekenis, zowel die waar iemand wél als die waar iemand niets aan kan doen.

Over de Auteurs: Michiel van der Wolf

Home » Opinie » ‘Ik kan er niets aan doen’: Over vrije wil en strafrecht

‘Ik kan er niets aan doen’: Over vrije wil en strafrecht

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 5 december 2012 | 5.8 min read |

Dit zei Robert M. tegen de rechtbank die over zijn daden moest oordelen: “Ik noem het een vloek. Mijn seksuele aantrekkingskracht tot kinderen heb ik opgelegd gekregen. Ik kan zelfmoord plegen of accepteren dat ik niet zonder kinderen kan leven.” En als we de nieuwste wetenschappelijke inzichten moeten geloven, zou hij wel eens gelijk kunnen hebben. Met fMRI-hersenscans zou met 95% betrouwbaarheid het brein van een pedo te herkennen zijn.

Er werd al snel gepleit voor toepassingen bij sollicitaties van crèchemedewerkers of in de rechtszaal. Daar is echter veel tegen in te brengen: de nog altijd grote kans op fout positieven (iemand die op de scan een pedo lijkt, maar het in werkelijkheid niet is) en het feit dat er – zowel gedragskundig als juridisch – een grote sprong zit tussen gedachten en handelingen. Oerjurist Cicero zei het al: ‘Onze gedachten zijn vrij.’

Het strafrecht afschaffen?

Juridisch gezien mag dat laatste waar zijn, maar hersenonderzoek laat juist ook zien dat onze gedachten mogelijk niet in vrijheid tot stand komen. Denk aan het prachtige experiment van Libet uit de jaren tachtig, dat vaak en beter gerepliceerd is en steeds dezelfde uitkomst geeft:  vóórdat we bewust een handeling initiëren, heeft ons brein dat al gedaan. ‘De vrije wil bestaat niet’, concluderen hersenonderzoekers als Swaab en Lamme. Dat is echter een uitgangspunt dat het fundament onder het strafrecht vandaan slaat, dat juist gebaseerd is op ‘de gewilde spierbeweging’. Als deze onderzoekers ervoor pleiten ook het strafrecht  om te vormen, wordt dat vaak weggewuifd als ‘trespassing’: ze hebben geen recht van spreken, want ze begeven zich op een terrein dat hen niet bekend is. Dit is echter te makkelijk.

Een oud pleidooi

Hoewel het wetenschappelijk ‘bewijs’ nu harder is, bestond er al in de negentiende eeuw in de strafrechtstheorie een school – de Moderne Richting – die de mens beschouwde als volledig gedetermineerd. De criminoloog Lombroso, die meende dat misdadigers op basis van schedelstructuur herkend konden, legde hier het fundament voor. Misdaad was geen product van rationele keuze, maar kwam voort uit biologische, psychologische of sociale factoren. Straf kon de oorzaken van de criminaliteit niet wegnemen, dus ‘behandeling’ van die factoren moest voorkomen dat een misdadiger opnieuw in de fout ging. Straffen werd gezien als belachelijk en zinloos. Denk aan de actie van de Perzische Koning Xerxes in de vijfde eeuw voor Christus, die de zee 300 zweepslagen liet geven, omdat ze zijn vloot had verzwolgen. Of denk aan  Basil Fawlty uit Fawlty Towers  die zijn kapotte auto streng toesprak en met een tak begon te slaan in plaats van naar de garage te brengen.

Iedereen TBS! Niet ongevaarlijk

De opkomst van de Moderne Richting bracht ons, als compromis, in 1928 de zogenaamde Terbeschikkingstelling (TBS). Geen straf, maar een maatregel waarvan de duur niet gelimiteerd wordt door ‘proportionele schuldvergelding’, maar door de gevaarlijkheid van de dader. In feite pleiten sommige hedendaagse hersenonderzoekers voor ‘maatregelrecht’, dat wil zeggen:alle misdadigers TBS. Hoewel de TBS-behandeling inderdaad veel beter dan de straf ernstige recidive weet te voorkomen (20% tegenover 50%), kleven aan dit voorstsel wel enkele gevaren, waarvan ik er vier zal noemen.

Ten eerste is de gevaarsinschatting niet waterdicht, en daarom bestaat er de kans op fout positieven (iemand die gevaarlijk wordt geacht maar het in werkelijkheid niet is). Ten tweede: als de risicofactoren niet goed met behandeling kunnen worden aangesproken – en dat is vaak zo – bestaat de kans dat iemand verkapt levenslang krijgt voor een delict dat daar mogelijk niet ernstig genoeg voor is. Mogelijk zal er weer gepleit worden voor invoering van de doodstraf voor ‘onverbeterbaren’, net als in de tijd van de Moderne Richting, bijvoorbeeld op basis van (financieel) utilisme.

Ten derde: er is wel betoogd dat juist het niet verantwoordelijk stellen, verbetering in de weg zit. Dit bracht Erasmus al in tegen Luthers predestinatieleer in hun zestiende-eeuwse heilstheologische dispuut. ‘De servo arbitrio’ tegen ‘De libero arbitrio’ . Erasmus bezwaar was dat mensen zich niet meer goed zouden gedragen om in de hemel te komen: “Dat houdt in dat de verantwoordelijkheid van de mens, die dan immers niet meer zou zijn dan leem in de almachtige hand van de pottenbakker, wordt ontkend; en waarom zou een mens zich nog inspannen om goed te leven, wanneer hij met al zijn inspanning toch niets bereikt?” Hoewel ze enigszins langs elkaar heen spraken en de verticale verhouding een andere is dan de horizontale, zou zelfs Luther dit op het strafrecht van toepassing kunnen verklaren.

Voor de TBS-behandeling is dit soort kritiek ook wel geformuleerd: hoe kan je eerst iemand niet geheel toerekeningsvatbaar achten en vervolgens van hem vragen dat hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelingen en behandeling? Eerst zeggen: ‘je kan er niets aan doen’ leidt waarschijnlijk eerder tot rechtvaardiging en acceptatie van het lot, dan tot prikkel een moeilijk proces van zelfverandering aan te gaan. 

Een beperkte visie op strafrecht

Ten slotte kan men stellen dat een dergelijk pleidooi voor ‘maatregelrecht’ – iedereen TBS – een beperkte visie op het strafrecht uitdrukt, namelijk een waarin het doel van het strafrecht wordt vernauwd tot het voorkomen van recidive van daders. Mogelijk gaat er ook nog wel enige afschrikking uit ten aanzien van nieuwe daders. Maar het strafrecht heeft niet alleen een zogenaamd ‘prospectieve’ functie, maar ook een ‘retrospectieve’. Het strafrecht is geen natuurwetenschap, maar een product van een sociaal contract. Grove schending daarvan door misdaad, maakt dat zowel het slachtoffer als de samenleving vragen om genoegdoening. Men wil verantwoording en genoegdoening, of die wil nu vrij is of niet. Als het strafrecht daar niet meer aan tegemoetkomt, kan zij een belangrijk prospectief doel missen: het voorkómen van eigenrichting. Ook is een retrospectieve benadering van belang voor het idee van herstel, waarin rehabilitatie een rol heeft naast vergoeding van schade en verzoening tussen dader en slachtoffer. 

Rechtspreken

Veel wetenschappers hebben betoogd dat (een zekere) gedetermineerdheid van ons handelen nog geen niet-verantwoordelijkstelling hoeft te betekenen. Filosofen spreken over compatibiliteit of differentiëren tussen theoretische en praktische rede, gedragskundigen wijzen erop dat Libet vond dat er weliswaar geen vrijheid is om een handeling te initiëren, maar wel te inhiberen. Sowieso weten we nog weinig van het bewustzijn. Maar laat ik niet te ver buiten mijn terrein treden en dezelfde fout maken als de hersenonderzoekers die het strafrecht willen afschaffen.

Het zou echter te makkelijk zijn om inzichten uit andere wetenschappen helemaal niet relevant te achten voor het strafrecht. Maar  het strafrecht heeft sinds de Moderne Richting altijd rekening gehouden met dergelijke inzichten. Rechtspreken is niet iedereen over één kam scheren, maar een geïndividualiseerde beslissing nemen over daad en dader tegen de achtergrond van de situatie en de persoonlijke omstandigheden. Daarbij zijn alle factoren die tot de daad leidden van betekenis, zowel die waar iemand wél als die waar iemand niets aan kan doen.

Over de Auteurs: Michiel van der Wolf