Geschreven door René Fransen / 

1 maart 2013 / 

Harris, Het morele landschap: goed leven zonder God (2011)

De wetenschap kan ons leren wat goed en slecht is. Dat wil de Amerikaanse filosoof en neurowetenschapper Sam Harris ons uitleggen in zijn boek ‘Het morele landschap’. De oorspronkelijke ondertitel is ‘How science can determine human values’ (Hoe wetenschap menselijke waarden kan vaststellen). De Nederlandse uitgever koos voor het meer polemische ‘Goed leven zonder God’. Dat zal Harris instemming hebben, want een leven zonder God is waar hij zich voor inzet.

Harris is een van de ‘grote vier’ van het atheïsme, naast filosoof Daniel Dennett, evolutiebioloog Richard Dawkins en de onlangs overleden publicist Christopher Hitchens. Deze vier hebben een missie. Zoals Richard Dawkins het onlangs formuleerde tijdens een bezoek aan Groningen, het gaat om een oorlog tegen iedere vorm van religieus geloof – al houden de vier zich vooral bezig met het bekritiseren van de Amerikaans-protestantse versie van het christendom.

Terug naar Harris. De stelling dat wetenschap ons kan leren wat goed en kwaad is, maakt nieuwsgierig. De laatste jaren kijken neurowetenschappers steeds dieper in ons brein en daar komen ze opvallende dingen tegen. We lijken niet altijd even vrij in de beslissingen die we nemen. Hebben we wel een vrije wil? En wat bepaalt nu precies hoe we ons gedragen? Met een achtergrond in filosofie en neurowetenschappen zou Harris daar interessante en prikkelende dingen over kunnen zeggen. En als prominent atheïst verwacht je van hem toch minstens een goed onderbouwde kritiek op religie. Maar niets van dit alles. Het boek is een teleurstellend pamflet dat samenhang en opbouw ontbeert.

Relativisten

Harris valt in dit boek vooral twee tegenstanders aan. Een eerste vijand vormen de ‘relativisten’, die menen dat wetenschap nooit een harde uitspraak kan doen over goed en kwaad; dat is immers grotendeels cultureel bepaald? Harris suggereert dit relativisme bijna universeel is in de wetenschappelijke wereld en daarom een grote bedreiging vormt voor een rationele kijk op morele waarden. Dat dit echt zo is, maakt hij echter nergens in het boek hard.

De tweede vijand van Harris vormen de religieus gelovigen. Die baseren hun overtuiging over goed en kwaad immers niet op rationele overwegingen, maar op duizenden jaren oude boeken of directe goddelijke openbaring. Zulke gelovigen hoef je dus niet serieus te nemen, meent Harris. Dat er binnen religies vaak diepgaand over goed en kwaad is en wordt nagedacht, lijkt hem te zijn ontgaan.

Zijn tegenstanders beschrijft de auteur in de inleiding als volgt: “Religieuze conservatieven weten wat het oordeel van de Schepper van het heelal is over het juiste handelen, en dit inspireert om deze visie aan het openbare leven op te leggen, bijna tot elke prijs; seculiere progressieven weten niet wat het juiste handelen is – en of iets ooit écht juist kan zijn – en dit brengt hen er vaak toe bereidwillig afstand te doen van hun intellectuele maatstaven en politieke vrijheiden.”

Tegenover deze irrationele nachtmerrie stelt hij een rationele heilsstaat: “Alleen een rationeel inzicht in menselijk welzijn zal ons in staat stellen vreedzaam samen te leven met miljarden soortgenoten, met dezelfde doelstellingen op het gebied van maatschappij, politiek, economie en milieu.” Harris denkt in extremen. De wereld bestaat uit irrationele dwazen en rationele heiligen. De grijstinten die feitelijk domineren ontbreken in zijn boek – en blijkbaar ook in zijn denkwereld.

 

Indiaan

Rationeel inzicht, zo verklaart Harris, is de enige manier die kan uitwijzen wat het beste is voor het menselijk welzijn. Er is een ‘moreel landschap’ met pieken en dalen. Niet alle pieken zijn even hoog, niet alle dalen even diep. Binnen dit morele landschap is er dus geen plek voor relativisme, want er is zoiets als de hoogste piek, of desnoods de verzameling hoogste pieken die het hoogste goed vertegenwoordigen.

Dit is een interessante stelling. Het betekent bijvoorbeeld dat niet iedere cultuur even goed is voor het menselijk geluk. Wanneer we een primitieve stam in de Amazone in hun eigen waarde laten, zal de gemiddelde levensverwachting laag zijn, veel lager dan in een Westerse cultuur. Dat klopt natuurlijk. Toch is het de vraag in hoeverre je een indiaan uit de Amazone mag halen om hem/haar in Rio de Janeiro langer te laten leven. Is die indiaan echt gelukkiger? Hoe moet je dat geluk eigenlijk meten? Dit zijn de spannende vragen die de stelling van Harris oproept. Maar hij beantwoordt ze niet, hij stelt alleen dat goed en slecht in principe van elkaar te onderscheiden zijn.

Daarbij vlucht hij in extremen (zoals vrouwenbesnijdenis) of in simplificaties: “Als vrouwen en meisjes worden gedwongen een boerka te dragen, levert dit dan netto een positieve bijdrage aan het menselijk welzijn op? (..) Worden mannen meelevender en vrouwen tevredener?” Zo gesteld is het antwoord eenvoudig. Toch is de werkelijkheid complexer. Want samenlevingen en culturen laten zich niet zomaar veranderen, dus een wereldwijd boerkaverbod zal zeker op korte termijn geen hoger gemiddeld geluk betekenen.

Harris hamert er op dat het objectief meetbaar is wanneer mensen gelukkig zijn en hoe gelukkig ze zijn, dat de wetenschap dus de hoogste pieken in het morele landschap kan aanwijzen. En waar dat nu nog niet lukt, zal het in de toekomst vast wel mogelijk zijn. Ook deze stelling is slecht onderbouwd. Het blijkt al wanneer hij schrijft hoe onderzoek heeft uitgewezen dat het krijgen van kinderen het geluksniveau van de ouders vermindert. Harris komt er niet uit wat hij hiervan moet denken. De vraag die hij niet stelt, is of het onderzoek waar hij naar verwijst wel op een juiste manier het ouderlijk geluk heeft gemeten.

Mantra

In zijn hele boek komt Harris niet verder dan het herhalen van een mantra: alleen wetenschap kan ons de weg naar geluk wijzen. En daar tegenover de waarschuwing: godsdienst brengt ons van die weg af. Hij doet dat overigens retorisch heel slim. Zo goed als alle negatieve voorbeelden in zijn boek hangen samen met religie, terwijl Harris positieve kanten van religie – die ook door onderzoek zijn gestaafd – steevast negeert. Wetenschap wordt daarentegen voortdurend op de meest ideale manier besproken. Neem deze uitspraak: “Naar mijn ervaring is arrogantie op een wetenschappelijke conferentie ongeveer even gebruikelijk als naaktlopen.” Tsja. Vijfentwintig jaar ervaring in en met de wetenschap leert mij dat arrogantie in de wetenschap even gebruikelijk is als topless zonnen in Scheveningen.

Het is beschamend en moedeloos makend hoe slecht Harris zijn standpunten onderbouwt. De paar zinnige dingen die hij schrijft zitten verstopt onder bladzijde na bladzijde pamflettisme. Daarbij gaat hij voluit los tegen religie, maar op een manier die maakt dat je z’n hand wilt vastpakken en vragen ‘rustig, Sam, vertel eens, waar komt deze woede vandaan? Wil je er over praten?’ Zijn religiekritiek is niet veel meer dan een wilde woede-uitbarsting.

Waarom het boek zo slecht is opgebouwd blijkt aan het eind: het is samengesteld uit losse essays, wetenschappelijke publicaties uit zijn promotieonderzoek en andere losse elementen die als de losse lichaamsdelen van het monster van Frankenstein aan elkaar zijn genaaid. Net als de zeer slimme en ambitieuze Frankenstein heeft Harris een lelijk monster geschapen.

Deze recensie verscheen eerder in het Nederlands Dagblad

Sam Harris: Het morele landschap. Goed leven zonder God. Uitg. Arbeiderspers, Amsterdam, 2011, 304 blz, €24,95

René Fransen