8 augustus 2011 / 

Hannam, Gods filosofen (2010)

Ab Flipse

Dr. Ab Flipse is universiteitshistoricus aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij was van 2011 tot 2015 werkzaam bij ForumC, waar hij betrokken was bij verschillende projecten op het gebied van geloof en wetenschap. Hij was onder meer hoofdredacteur van www.geloofenwetenschap.nl.

Middeleeuwers dachten dat de aarde plat was. De middeleeuwse kerk hield de invoering van Arabische cijfers tegen en verbood anatomisch onderzoek op mensen. Galileo Galilei werd gemarteld door de Inquisitie, omdat hij beweerde dat de aarde om de zon draait.

In zijn boek Gods filosofen verwijst de Britse wetenschapshistoricus James Hannam al dergelijke verhalen naar de prullenbak.Het zijn mythes die passen bij het idee dat de Middeleeuwen duistere tijden waren en dat kerk de wetenschap systematisch tegenwerkte. Dat verhaal klopt niet, laat Hannam zien. De kerk ontdekte al snel dat de rede een vriend kon zijn van het geloof. Vooral na Anselmus (1033-1109) begon de rede aan een opmars in het christendom. Hannam maakt inzichtelijk dat de christelijke middeleeuwers geloofden dat de wereld op een rationele manier functioneerde, hoewel dat vaak een totaal andere manier was dan waarop wij denken dat ze werkt.

Fundamenten van de moderne wetenschap

Hannam heeft voor een breed publiek een meeslepend boek geschreven over ‘middeleeuwse wetenschap’. Hij beperkt zich niet tot de beschrijving van theorieën of ideeën. Naast beschouwingen over natuurfilosofie, wiskunde en geneeskunde, schrijft hij over ontwikkelingen in de landbouwtechniek, oorlogsvoering, architectuur, astrologie, alchemie en magie. Hannam verbindt deze ideeëngeschiedenis met de alledaagse praktijken en beslommeringen van de hoofdrolspelers: hun ruzies, financiële problemen, plagiaat, hartstochten en moeizame tochten door Europa. Hij idealiseert niet; duidelijk wordt dat de ontwikkeling van ideeën plaatsvond in een rauwe werkelijkheid van onbegrepen ziektes, hardvochtige machthebbers, oorlogen, kruistochten en een corrupte kerk. Desondanks, zo betoogt Hannam, werd er in de Middeleeuwen grote vooruitgang geboekt op het gebied van wetenschap, techniek en cultuur. Hij bestrijdt dus de populaire opvatting dat de Middeleeuwen een periode waren van stagnatie of achteruitgang tussen de Griekse en Romeinse bloeiperiode en de Renaissance en wetenschappelijke revolutie. De centrale stelling van het boek is dat in de Middeleeuwen de fundamenten werden gelegd van de moderne wetenschap.

De kerk stimuleerde allerlei vormen van geleerdheid, bijvoorbeeld door de instandhouding van kloosters, religieuze ordes (vooral de dominicanen en franciscanen) en de stichting van universiteiten (vanaf de twaalfde eeuw). De universiteiten waren bedoeld om de geestelijkheid op te leiden en de theologie werd dan ook gezien als de ‘koningin der wetenschappen’. De universiteiten werden echter ook een plek waar in relatieve vrijheid de natuurfilosofie, als ‘dienstmaagd’ van de theologie, kon worden beoefend. Allerlei natuurfilosofische kwesties, ook ‘ketterse ideeën’, konden hier worden bediscussieerd.

Middeleeuwse natuurfilosofie was meer dan een herhalen van de filosofie van Aristoteles, zoals wel is beweerd. Hoewel de grootste middeleeuwse filosoof Thomas van Aquino in de dertiende eeuw tot een synthese van christelijke leestellingen en Aristoteles’ filosofie kwam, woedde in dezelfde periode juist een discussie over de verenigbaarheid van beide. Zo kwam de bisschop van Parijs in 1277 tot een veroordeling van een groot aantal Aristotelische leerstellingen. Op het eerste gezicht getuigt dit misschien van een bekrompen inmenging van de kerk in de wetenschap. Ironisch genoeg stimuleerde deze veroordeling echter allerlei natuurfilosofen om op creatieve wijze alternatieve ideeën te ontwikkelen.

Wetenschappelijke Revolutie, Renaissance en Reformatie

Voor veel middeleeuwse geleerden was het geloof de drijfveer tot onderzoek, omdat, zo was de gedachte, de mens via de natuur over zijn Schepper kon leren. Deze motieven en drijfveren om de natuur te onderzoeken werden onveranderd overgenomen door natuuronderzoekers als Copernicus, Galilei, Kepler en Newton, die vaak als de eerste moderne wetenschappers worden gezien. Het boek loopt dan ook uit op de vernieuwingen die zij in de zestiende en zeventiende eeuw doorvoerden. Deze periode wordt traditioneel aangeduid als de wetenschappelijke revolutie, maar Hannam laat zien dat de natuuronderzoekers uit deze periode veel ideeën ontleenden aan de middeleeuwse traditie. De toegang hiertoe was overigens bijna afgesneden, omdat de humanisten van de Renaissance – met hun pleidooi voor een terugkeer naar de zuivere Griekse bronnen – zo negatief waren over de middeleeuwse scholastiek, dat zij allerlei middeleeuwse handschriften simpelweg hadden weggegooid. Hiermee velt Hannam een opvallend negatief oordeel over de Renaissance-geleerden.

Ook voor de Reformatie ziet Hannam geen speciale, positieve rol in de ontwikkeling van de wetenschap. Dit is bijvoorbeeld wel betoogd door de Nederlandse wetenschapshistoricus Reijer Hooykaas en andere, vooral Engelstalige, auteurs. Het verlangen God te vereren door zijn schepping actief te bestuderen is geen typisch protestantse waarde, maar een gedachte die je gedurende de hele Middeleeuwen al tegenkwam. Hierin vind ik Hannam niet echt overtuigend. Hij komt bijvoorbeeld niet met een eigen verklaring van de opkomst van het experiment in deze periode. In de middeleeuwse wetenschap speelde dit vrijwel geen rol, zoals Hannam zelf toegeeft. Juist deze ontwikkeling is echter niet los te zien van Renaissance en Reformatie, omdat ze samenhangt met een grotere waardering voor ambachtelijk werk en een ‘protestantse levenshouding’ en benadering van de natuur. Voor Hannam is de belangrijkste voorwaarde voor het ontstaan van de moderne wetenschap echter de wijdverbreide aanvaarding van de rede, die al in de Middeleeuwen had plaatsgevonden.

Uit Hannams verhaal kunnen we niet de eenduidige conclusie trekken dat de kerk in de Middeleeuwen een voorstander van wetenschap was. Hiervoor was de relatie tussen kerk en wetenschap te complex. Zo worden allerlei middeleeuwse activiteiten als magie, astrologie en alchemie, waartoe de kerk haar houding moest bepalen, door ons helemaal niet meer als wetenschap gezien. Nadrukkelijk stelt Hannam in het laatste hoofdstuk dan ook dat hij nergens in het boek de middeleeuwse natuurfilosofen heeft aangeduid met de moderne (negentiende-eeuwse) term ‘wetenschapper’. Bovendien had de kerk met veel van deze geleerdheid een haat-liefdeverhouding. Juist dit zorgde echter voor een ‘creatieve spanning’ tussen ‘geloof’ en ‘wetenschap’, die op termijn buitengewoon vruchtbaar bleek.

Belang van wetenschapsgeschiedenis

Wie bekend is met Nederlandse wetenschapshistorische klassiekers als E.J. Dijksterhuis’ De mechanisering van het wereldbeeld (1950) of Hooykaas’ Geschiedenis der natuurwetenschappen. Van Babel tot Bohr (1971) zal in dit boek veel bekende namen tegenkomen. Ook vroegere wetenschapshistorici waren natuurlijk niet onbekend met de ontwikkelingen in de Middeleeuwen. Bij Hannam en andere hedendaagse wetenschapshistorici vind je echter een ander soort geschiedschrijving, waarin de ontwikkeling van ideeën en theorieën nadrukkelijk is ingebed in de sociaal-culturele context. Juist hierdoor wordt duidelijk dat het verleden niet moet worden afgemeten aan het heden, en dat ‘de moderne wetenschap’ niet plotsklaps als zelfstandige activiteit ter wereld kwam. Hannam beschrijft hoe – in een door en door christelijke omgeving – steeds duidelijker grenzen werden getrokken tussen theologie en natuurfilosofie.

Het is opmerkelijk dat Hannam, met een boek over middeleeuwse wetenschap, daadwerkelijk het brede publiek heeft weten te bereiken dat hij bij het schrijven voor ogen had. Het Engelse origineel God’s Philosophers (2009) is in een groot aantal kranten en tijdschriften besproken en het is inmiddels in verschillende talen vertaald. Ook wordt er op allerlei internetfora over gediscussieerd (zie bijvoorbeeld Hannams eigen website: www.jameshannam.com).

Een eerste reden hiervoor is ongetwijfeld dat het boek goed is geschreven. Ook weet Hannam ingewikkelde filosofische discussies helder uit te leggen. Verder lijkt het onderwerp geloof-wetenschap bijna een garantie te zijn voor veel aandacht. Dit heeft alles te maken met het maatschappelijk debat over evolutie en creationisme dat – hoewel vroeger vooral een Amerikaans fenomeen – inmiddels wereldwijd pennen in beweging brengt. Hannam refereert in zijn inleiding ook aan de ‘volledige aanval’ van ‘conservatieve christenen en moslims’ op het darwinisme, om er aan toe te voegen dat sommige godsdienstige doctrines inderdaad conflicteren met wetenschappelijke theorieën.

Tenslotte lijkt er, ook in Nederland, bredere belangstelling te bestaan voor het onderwerp wetenschapsgeschiedenis. In 2008 won de Utrechtse wetenschapshistoricus Floris Cohen met zijn boek De herschepping van de wereld. Het ontstaan van de moderne natuurwetenschap verklaard de Eurekaprijs voor het beste populairwetenschappelijke boek. Dit boek beleefde vele drukken en Cohen maakte een rondgang langs de media. Een ander voorbeeld is de filosoof Herman Philipse, die in 2006 de jaarlijkse Dijksterhuislezing hield, waarin hij ‘Zeven argumenten voor het culturele en maatschappelijke belang van wetenschapsgeschiedenis’ gaf. In het daaropvolgende jaar liet hij zien welke lessen hij uit de wetenschapsgeschiedenis trok. In een reeks goedbezochte Utrechtse Studium-Generale-lezingen sprak hij over Wetenschap versus Godsdienst: Grote Conflicten van Copernicus tot Dawkins. In datzelfde jaar schreef hij in de Academische Boekengids: ‘De exponentiële ontwikkeling van wetenschap [is] de belangrijkste factor die het verschil verklaart tussen de westerse cultuur en andere grote beschavingen. Immigrantenkinderen uit andere culturen zouden op school enige wetenschapsgeschiedenis onderwezen moeten krijgen om te kunnen begrijpen waarom de westerse cultuur waarin ze zijn beland zo verschilt van de cultuur waaruit hun ouders voortkwamen’ (mei 2007, p. 16-17). Hier legt Philipse een verband tussen wetenschapsgeschiedenis en het opgelaaide debat over het eigen karakter en de wortels van de westerse cultuur, dat gevoed wordt door de immigratieproblematiek.

Ik ben het met Philipse eens dat we van wetenschapsgeschiedenis veel kunnen leren over de wortels van onze cultuur. Voor Philipse is de les die ‘immigrantenkinderen’ uit de wetenschapsgeschiedenis moeten trekken dat (christelijk) geloof en wetenschap in staat van oorlog verkeren. Hannam komt met een ander verhaal. Hij laat zien dat de fundamenten van het gebouw van de moderne wetenschap in het christelijke verleden van Europa zijn gelegd. Dit doet hij niet op een goedkope, apologetische manier, maar genuanceerd, diepgravend en daardoor des te overtuigender.

Recensie van: James Hannam, Gods filosofen. Hoe in de Middeleeuwen de basis werd gelegd voor de moderne wetenschap (Amsterdam: Nieuw Amsterdam 2010)
Deze recensie verscheen eerder in Radix. Tijdschrift over geloof en wetenschap 37 (2011) no. 2

Nu jij!

Wat denk jij? Ben jij het hiermee eens? Of juist totaal niet? Reageer hieronder!