Geloof in de wetenschap: Over de spanning tussen thuis en universiteit

In 2021 deed ik voor mijn eindscriptie theologie onderzoek naar hoe protestants-christelijk biologiestudenten omgaan met de evolutietheorie. Het ging mij vooral om de ‘menselijke kant’, de vraag hoe dat hun geloof beïnvloedde. Eén van mijn observaties was dat geen van de studenten die ik sprak de formele positie van conflict tussen geloof en wetenschap innam, maar desondanks ervoeren ze wel een spanning. Waar komt dat door?
Tekst: Daniël Verbeeke, stafmedewerker IFES
Vrijwel alle deelnemers aan mijn onderzoek zouden het oneens zijn met de stelling ‘Geloof en wetenschap zijn in conflict met elkaar’. Toch spraken de studenten wel degelijk over een spanning tussen geloof en wetenschap. Hoe moest ik dit begrijpen? Nou, het ging hen niet zozeer om een conflict tussen geloof en wetenschap, maar om een verschil in denkwerelden dat spanning opriep.
Misschien herken je hier iets van. Thuis, op een christelijke middelbare school en in de kerk krijgen persoonlijke ervaring, morele intuïties en traditie vanzelfsprekend een grote rol. Maar op de universiteit heerst een ander klimaat: analytisch, kritisch, empirisch. Voor veel christelijke studenten betekent dit pendelen tussen twee talen: een ‘existentiële’ taal waarin geloof betekenis geeft, en een academische taal waarin vooral rationele argumentatie en harde feiten de norm zijn. Die talen kunnen botsen, waardoor er toch spanning lijkt te zijn tussen geloof en wetenschap.
In gesprek blijven

In het boek Alle verstand te boven bundelde Cees Dekker portretten van verschillende christelijke wetenschappers die vertellen over hun geloof, wetenschapper-zijn en de raakvlakken hiertussen. Eén van deze portretten is van hoogleraar bio-informatica Marnix Medema. Wat hem in de eerste plaats naar de biologie trok, was een fascinatie voor onderzoek van het leven.
Op de universiteit verwachtte Medema een vijandige omgeving die zijn geloof aan het wankelen zou brengen. Maar hij kwam daar geen ‘fanatieke atheïsten’ tegen. Hij trof juist docenten die op een geduldige wijze het gesprek aangingen. In gesprekken met deze en andere wetenschappers kwam hij tot een diepere verwondering over de evolutietheorie. Tegelijkertijd zorgde dit voor een spanning: hoe kon hij acceptatie van de evolutietheorie rijmen met zijn christelijke geloof?
Toen ik dit las over Medema, deed mij dat denken aan de studenten die ik sprak voor mijn onderzoek. Er was dezelfde dynamiek, dat iets waarvoor je gewaarschuwd bent – in dit geval de evolutietheorie – ineens een stuk aannemelijker lijkt dan je had verwacht. Je wordt aangetrokken door de precisie waarmee de wetenschap te werk gaat, en dingen lijken op hun plek te vallen. De logica verrijkt, maar ineens sta je in een spanningsveld tussen wat je hebt meegekregen en wat je aan de universiteit ontdekt.
Inhoudelijk werd Medema overtuigd door de evolutietheorie, maar vervolgens gingen er allerlei grote vragen spelen. Bijvoorbeeld: kan ik nog wel in een Schepper God geloven als het leven mechanistisch is te verklaren?
Zonder hier in al te veel detail te treden, Medema vertelt dat juist deze vragen hem uiteindelijk opnieuw overtuigden van het christelijk geloof. Door de tijd heen ontwikkelden zijn ideeën zich en leerde hij om te zien hoe geloof en wetenschap zich tot elkaar verhouden én hoe hij met zijn volle verstand christen en wetenschapper kan zijn.
Zijn verhaal is helder en doordacht, en dat zou weleens te maken kunnen hebben met de ruimte die hij nam om allerlei mensen te ontmoeten. Hij vertelt over de vele gesprekken die hij voerde: thuis met zijn ouders, via mailwisselingen met auteurs van boeken over dit thema en tijdens kopjes koffie met andere christelijke wetenschappers.
De spanning erkennen
Alle banen doen iets met je, dus ook werken in de wetenschap, vooral als daarin kritische vragen aan je achtergrond opkomen. Sommige gelovigen zeggen heel stellig: ‘Wetenschap staat helemaal los van mijn geloof!’ Ja, door geloof en wetenschap van elkaar los te koppelen kun je de spanning bezweren. Maar het verhaal van Medema laat zien dat juist het erkennen dat er een spanning is ruimte kan scheppen. Want wanneer geloof en wetenschap op die manier met elkaar in contact komen, kan er verrijking plaatsvinden.
De deelnemers aan mijn eigen onderzoek gaven dit ook aan: juist plekken waar gesprekken mogelijk zijn die de ‘talen’ van geloof en wetenschap bij elkaar te brengen, helpen bij het ontwikkelen van een eigen omgang met de spanning tussen geloof en wetenschap.
Een biologiestudente die ik sprak vertelde hoe de christelijke studentenvereniging hierin belangrijk was. Ze waardeerde de open gesprekken waarin zij en haar verenigingsgenoten vragen konden bespreken. Dit was niet eenmalig, maar een voortdurend openstaan voor de ander. Juist deze ontmoetingen verrijkten haar studententijd enorm. Deze waardering voor ontmoeting en gesprek lees ik ook terug in het verhaal van Marnix Medema.
Op de website geloofenwetenschap.nl proberen we een soortgelijke plek te creëren: een vindplaats voor studenten die nadenken over geloof en wetenschap. Het mooie is dat je vaak het wiel niet zelf hoeft uit te vinden, maar dat anderen dezelfde of soortgelijke vragen al hebben overpeinsd. Kijk bijvoorbeeld in het dossier met artikelen over hoe wetenschappers omgaan met levensbeschouwelijke vragen.
Dit artikel begon met de vraag waarom geloof en wetenschap spanning kunnen oproepen, terwijl er formeel geen direct conflict bestaat. De besproken voorbeelden laten zien dat die spanning vaak voortkomt uit het bewegen tussen verschillende manieren van denken. Juist door deze niet te ontkennen maar ruimte te maken voor open gesprekken kan een vruchtbare wisselwerking ontstaan die zowel geloof als wetenschap verdiept.



