Geschreven door René Fransen / 

5 september 2011 / 

Driessen en Nienhuis, Evolutie: wetenschappelijk model of seculier geloof (2010)

Het Darwinjaar is al een tijdje voorbij, maar de vragen rondom schepping en evolutie blijven de gemoederen bezighouden. De natuurkundigen Alfred Driessen en Gerard Nienhuis, beiden geïnteresseerd in de verhouding tussen geloof en wetenschap, hebben daarom een boekje uitgegeven dat volgens de ondertitel een ‘pleidooi voor intellectuele bescheidenheid’ wil zijn. Vijf van de zes bijdragen aan het boek zijn gebaseerd op lezingen, tijdens het Darwinjaar (2009) gehouden in het Leidse Museum Naturalis en voor het r.k. Studentenpastoraat in Amsterdam.

VU-bioloog Nico van Stralen zet in het eerste stuk de bewijzen voor evolutie uiteen. Zijn conclusie is dat dit bewijs overweldigend en overtuigend is, maar dat evolutie niet misbruikt moet worden voor het verdedigen van een atheïstisch of religieus wereldbeeld.

De twee volgende hoofdstukken zijn voor de natuurkundigen Driessen en Nienhuis, die beiden ingaan op de beperkingen die wetenschappelijke kennis biedt. Het is bijvoorbeeld fundamenteel onmogelijk te bewijzen of een proces als evolutie gebaseerd is op toeval of ontwerp. Ook zij vinden dat zowel gelovigen als ongelovigen de (evolutie)wetenschap niet moeten misbruiken om hun eigen standpunt te rechtvaardigen.

Deze eerste drie hoofdstukken geven een goede samenvatting van de bewijzen voor evolutie en de beperkingen die deze theorie – en de hele natuurwetenschap – kent. Het zijn de argumenten die het afgelopen Darwinjaar al op tal van manieren naar voren zijn gebracht. Origineler zijn de laatste drie bijdragen, van bisschop Everard de Jong, rabbijn Tzvi Marx en islamoloog Mohammed Ghaly. Zij bezien de evolutietheorie binnen hun eigen geloofstradities.

De Jong gaat uitgebreid in op het ontstaan van de evolutietheorie, met veel aandacht voor het doorbreken van het besef dat soorten niet onveranderlijk zijn, iets wat al ruim voor Charles Darwin gebeurde. Verder behandelt hij problemen die de evolutietheorie in zijn ogen nog kent. Hij is minder overtuigd van het bewijs voor evolutie dan Van Stralen en stelt dat met name voor de overgang van aapachtige naar mens een “rechtstreeks ingrijpen van de Schepper” nodig is, “daar immateriële realiteiten, zoals de menselijke ziel niet door lichamen kunnen worden voortgebracht”. De Jong verwoordt hiermee het inmiddels vertrouwde Vaticaanse standpunt: evolutie is ‘meer dan een theorie’, maar God is nodig voor het scheppen van de ziel. Zijn redenering over de onvolledigheid van evolutie, waarbij hij onder meer de gaten in het fossielenarchief aanvoert en flirt met de theorie van intelligent ontwerp, zal veel biologen als achterhaald voorkomen.

De laatste twee bijdragen zijn het meest boeiend. In het afgelopen Darwinjaar kwamen de joodse en islamitische kijk op evolutie maar mondjesmaat aan bod. Tzvi Marx, woonachtig in Vught maar internationaal publicerend over het Jodendom, noemt zichzelf een traditionele jood en rabbijn. Hij gaat eerst in op de joodse manier om de Torah te lezen. Hoewel de Torah gezien wordt als een boek met een goddelijke oorsprong is het Jodendom een “interpreterende geloofstraditie”, waarbij elk “goddelijk woord (…) onderwerp kan zijn van discussie met als doel om het in te passen in de meest actuele ‘waarheden’, zoals een intelligent mens die kan begrijpen”. In de 11e eeuw stelde rabbijn Shlomo ben Jitschak bijvoorbeeld dat het scheppingsverhaal in Genesis niets leert over de tijdsvolgorde van de scheppingshandelingen. Hoe we werden wie we biologisch zijn is voor Marx geen belangrijke vraag, wel “hoe we kunnen begrijpen wat we zijn”. Op die laatste vraag kan de evolutietheorie geen antwoord geven: “Zonder een transcendente betekenis van de menselijke waarde, zou Darwins waarheid ons kunnen verpletteren.”

Ten slotte behandelt Mohammed Ghaly (docent Islamitische Theologie aan de Universiteit Leiden) de islamitische reacties op Darwin. Door recente publicaties, bijvoorbeeld over moslimstudenten aan de VU die weigerden vragen over evolutie te beantwoorden, lijkt die houding zeer negatief. Ghaly laat zien dat sinds de negentiende eeuw de islamitische visie op evolutie heen en weer zwaait tussen acceptatie en verwerping. Sommige publicisten maakten die zwaai zelfs in hun eigen leven. Ook is het bezwaar tegen evolutie soms meer een politieke of culturele keuze, dan een theologische, aldus Ghaly.

Hij laat in zijn bijdrage vooral zien wat moslimgeleerden hebben gezegd over evolutie, in boeken en fatwa’s, niet wat de Koran nu exact zegt of waar eventuele knelpunten tussen geloof en wetenschap voor moslims kunnen liggen. Dat is jammer, want nu is zijn bijdrage een beetje een omgevallen boekenkast waaruit hij een aantal meningen vist. Toch is het goed te zien dat ook binnen de islam tal van genuanceerde meningen bestaan over de relatie tussen geloof en wetenschap.

Het nut van dit boekje is dat het een goede samenvatting geeft van de debatten die in het Darwinjaar hebben gewoed, al is dat vooral vanuit het perspectief van gelovigen die evolutie – zij het soms met enig voorbehoud – accepteren als een gegeven. De uitwerking van joodse en islamitische standpunten had meer verdieping verdiend. Nu wordt bijvoorbeeld onvoldoende duidelijk in hoeverre de ingenomen standpunten kenmerkend zijn voor deze religies. Dit boek is inderdaad een ‘pleidooi voor intellectuele bescheidenheid’, maar is zelf iets te bescheiden in opzet om echt overtuigend te zijn.

Recensie van Alfred Driessen en Gerard Nienhuis (red), Evolutie: wetenschappelijk model of seculier geloof (Kampen 2010), 144 blz, €18,50
Eerder verschenen in het Nederlands Dagblad

René Fransen