Home » Opinie » De religieuze betekenis van wetenschap

De religieuze betekenis van wetenschap

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 21 april 2015 | 4.5 min read |

In de bovenste lade van mijn bureau bewaar ik een strookje papier met een citaat van de Lutheraanse theoloog Philip Hefner: “For the person of religious faith, the encounter with science is itself a religious and a theological event.” Vrij vertaald: voor de godsdienstige mens is de ontmoeting met wetenschap op zichzelf een religieuze en theologische gebeurtenis. Het citaat komt uit Hefners hoofdwerk op het gebied van de relatie tussen theologie en wetenschap, The Human Factor. Het is een zin die ik zelf, toen ik hem voor het eerst las, opvatte als zowel de samenvatting als het doel van mijn studie. Maar zoals met een liedje dat je al te vaak op de radio hoorde, zo verloor de spreuk van Hefner voor mij wat aan scherpte.

De geschiedenis van woorden

Een recent werk op het gebied van de geschiedenis van de verhouding tussen godsdienst en wetenschap herstelde die scherpte weer. Peter Harrisons The Territories of Science and Religion geeft een historisch overzicht, vanaf de Grieks-Romeinse Oudheid tot en met de negentiende eeuw, van de manier waarop religie en wetenschap zich tot elkaar verhielden. Hoewel ik op het moment dat ik deze opiniebijdrage schrijf het boek nog niet helemaal uitgelezen heb, ben ik er al zeer van onder de indruk.

Het lijkt op het eerste zicht alsof Harrison een open deur intrapt, wanneer hij stelt dat onze begrippen doorheen de tijd een andere inhoud hebben gekregen. Iedereen met een beetje historisch inzicht weet wel dat betekenissen verschuiven. Maar Harrison toont niet alleen aan hoe dat in het geval van onze begrippen ‘wetenschap’ en ‘religie’ gebeurde maar vooral waarom dat van belang is voor hedendaags denken over de relatie tussen beide termen.

Harrison geeft in de eerste twee hoofdstukken van zijn boek aan dat datgene wat wij nu met ‘religie’ en ‘wetenschap’ aanduiden oorspronkelijk in het innerlijke leven van de mens werd gesitueerd, als respectievelijk morele en intellectuele deugden. Pas in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw gingen beide termen naar zichtbaar, uiterlijk handelen van de mens verwijzen. Maar wat mij persoonlijk het meest trof, was zijn beschrijving van natuurfilosofie als voorloper van hedendaagse wetenschap. Volgens Harrison deelde natuurfilosofie haar hoofddoel met filosofie als geheel, namelijk: de zoektocht naar het goede leven. Wat betekent het om ten volle mens te zijn? Wat maakt een leven zinvol? Natuurfilosofie zocht naar orde in de natuur om daaruit te kunnen afleiden wat een goede ordening van het menselijk leven zou kunnen zijn en zo antwoorden te bieden op dergelijke zinvragen.

De toekomst van woorden

Het zou te kort door de bocht zijn om te stellen dat Harrison hiermee naast de oorspronkelijke ook de wàre aard van wetenschap blootlegt. Maar de historische verbinding tussen nadenken over de aard van de materiële wereld en de zin van het menselijk leven herinnerde me aan een discussie die ik in 2008 met een wetenschapper voerde. Ik was toen een pril onderzoeker, en presenteerde als dusdanig een paper op een congres dat door de European Society for the Study of Science and Theology werd georganiseerd. In die paper argumenteerde ik onder andere dat wetenschap ten dienste staat van de toekomst die de mens voor onze planeet wil realiseren. Eén van mijn toehoorders, een bioloog, was hier radicaal tegen gekant: wetenschap staat alleen ten dienste van kennisvergaring, vond hij. Ethische bekommernissen dienden buiten het wetenschappelijk bedrijf gehouden te worden.

Nu wil ik grif toegeven dat mijn toenmalige argumentatie voor verfijning vatbaar was. Maar op basis van historisch onderzoek als dat van Harrison is het anderzijds misschien mogelijk om onze hedendaagse opvattingen over wetenschap te bekritiseren. Zou het kunnen dat deze opvattingen doorheen de recente geschiedenis enigszins verschraald zijn? Is er iets voor te zeggen om het begrip ‘wetenschap’ opnieuw te doen aansluiten bij haar oorsprong, en dus bij de zoektocht naar antwoorden op zinvragen? Betekent dit dat wetenschap zich op het terrein van de filosofie begeeft, of, omgekeerd, dat filosofie wetenschap gaat omvatten, zoals eertijds ‘natuurfilosofie’ deel uitmaakte van ‘filosofie’?

De spreuk van Hefner aangescherpt

Dergelijke overwegingen kunnen de theologie niet buiten beschouwing laten. Harrison beschrijft hoe de Griekse natuurfilosofie het denken van de kerkvaders beïnvloedde en tot de opvatting leidde dat de natuur, net zoals de Schrift, het voorwerp van contemplatie was. Elementen uit de natuur verwezen niet alleen naar een letterlijke betekenis (wij zouden nu misschien ‘empirisch waarneembare’ zeggen), maar ook naar een symbolische. Het ‘lezen’ van de natuur, in samenhang met het lezen van de Schrift, leidde volgens de kerkvaders tot inzicht in wat God wilde openbaren.

Daarin ligt voor mij de hernieuwde scherpte van Hefners spreuk. Niet in de zin dat wetenschappelijke kennis over onze wereld rechtstreeks en ondubbelzinnig naar religieuze kennis leidt (of omgekeerd), wat ik niet geloof. Ook niet, hoewel ik hiervan wel overtuigd ben, in de zin dat de hedendaagse theologische reflectie op wetenschappelijke kennis, een reflectie die zowel vragen over de betekenis van religieuze begrippen als antwoorden op dergelijke vragen inhoudt, inherent deel uitmaakt van de brede, gevarieerde christelijke openbaringstraditie. Maar de idee dat de christelijke openbaringstraditie nood heeft aan interactie met wetenschap om toegang te krijgen tot één van haar wezenlijke bronnen, namelijk de contemplatie op de natuur: daarin ligt voor mij de scherpte van het citaat van Hefner.

En nu dat spannende boek van Harrison verder uitlezen!

Beeld: Thomas van Aquino, door Gentile da Fabriano / Wikipedia

Over de Auteurs: Tom Uytterhoeven

Home » Opinie » De religieuze betekenis van wetenschap

De religieuze betekenis van wetenschap

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 21 april 2015 | 4.5 min read |

In de bovenste lade van mijn bureau bewaar ik een strookje papier met een citaat van de Lutheraanse theoloog Philip Hefner: “For the person of religious faith, the encounter with science is itself a religious and a theological event.” Vrij vertaald: voor de godsdienstige mens is de ontmoeting met wetenschap op zichzelf een religieuze en theologische gebeurtenis. Het citaat komt uit Hefners hoofdwerk op het gebied van de relatie tussen theologie en wetenschap, The Human Factor. Het is een zin die ik zelf, toen ik hem voor het eerst las, opvatte als zowel de samenvatting als het doel van mijn studie. Maar zoals met een liedje dat je al te vaak op de radio hoorde, zo verloor de spreuk van Hefner voor mij wat aan scherpte.

De geschiedenis van woorden

Een recent werk op het gebied van de geschiedenis van de verhouding tussen godsdienst en wetenschap herstelde die scherpte weer. Peter Harrisons The Territories of Science and Religion geeft een historisch overzicht, vanaf de Grieks-Romeinse Oudheid tot en met de negentiende eeuw, van de manier waarop religie en wetenschap zich tot elkaar verhielden. Hoewel ik op het moment dat ik deze opiniebijdrage schrijf het boek nog niet helemaal uitgelezen heb, ben ik er al zeer van onder de indruk.

Het lijkt op het eerste zicht alsof Harrison een open deur intrapt, wanneer hij stelt dat onze begrippen doorheen de tijd een andere inhoud hebben gekregen. Iedereen met een beetje historisch inzicht weet wel dat betekenissen verschuiven. Maar Harrison toont niet alleen aan hoe dat in het geval van onze begrippen ‘wetenschap’ en ‘religie’ gebeurde maar vooral waarom dat van belang is voor hedendaags denken over de relatie tussen beide termen.

Harrison geeft in de eerste twee hoofdstukken van zijn boek aan dat datgene wat wij nu met ‘religie’ en ‘wetenschap’ aanduiden oorspronkelijk in het innerlijke leven van de mens werd gesitueerd, als respectievelijk morele en intellectuele deugden. Pas in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw gingen beide termen naar zichtbaar, uiterlijk handelen van de mens verwijzen. Maar wat mij persoonlijk het meest trof, was zijn beschrijving van natuurfilosofie als voorloper van hedendaagse wetenschap. Volgens Harrison deelde natuurfilosofie haar hoofddoel met filosofie als geheel, namelijk: de zoektocht naar het goede leven. Wat betekent het om ten volle mens te zijn? Wat maakt een leven zinvol? Natuurfilosofie zocht naar orde in de natuur om daaruit te kunnen afleiden wat een goede ordening van het menselijk leven zou kunnen zijn en zo antwoorden te bieden op dergelijke zinvragen.

De toekomst van woorden

Het zou te kort door de bocht zijn om te stellen dat Harrison hiermee naast de oorspronkelijke ook de wàre aard van wetenschap blootlegt. Maar de historische verbinding tussen nadenken over de aard van de materiële wereld en de zin van het menselijk leven herinnerde me aan een discussie die ik in 2008 met een wetenschapper voerde. Ik was toen een pril onderzoeker, en presenteerde als dusdanig een paper op een congres dat door de European Society for the Study of Science and Theology werd georganiseerd. In die paper argumenteerde ik onder andere dat wetenschap ten dienste staat van de toekomst die de mens voor onze planeet wil realiseren. Eén van mijn toehoorders, een bioloog, was hier radicaal tegen gekant: wetenschap staat alleen ten dienste van kennisvergaring, vond hij. Ethische bekommernissen dienden buiten het wetenschappelijk bedrijf gehouden te worden.

Nu wil ik grif toegeven dat mijn toenmalige argumentatie voor verfijning vatbaar was. Maar op basis van historisch onderzoek als dat van Harrison is het anderzijds misschien mogelijk om onze hedendaagse opvattingen over wetenschap te bekritiseren. Zou het kunnen dat deze opvattingen doorheen de recente geschiedenis enigszins verschraald zijn? Is er iets voor te zeggen om het begrip ‘wetenschap’ opnieuw te doen aansluiten bij haar oorsprong, en dus bij de zoektocht naar antwoorden op zinvragen? Betekent dit dat wetenschap zich op het terrein van de filosofie begeeft, of, omgekeerd, dat filosofie wetenschap gaat omvatten, zoals eertijds ‘natuurfilosofie’ deel uitmaakte van ‘filosofie’?

De spreuk van Hefner aangescherpt

Dergelijke overwegingen kunnen de theologie niet buiten beschouwing laten. Harrison beschrijft hoe de Griekse natuurfilosofie het denken van de kerkvaders beïnvloedde en tot de opvatting leidde dat de natuur, net zoals de Schrift, het voorwerp van contemplatie was. Elementen uit de natuur verwezen niet alleen naar een letterlijke betekenis (wij zouden nu misschien ‘empirisch waarneembare’ zeggen), maar ook naar een symbolische. Het ‘lezen’ van de natuur, in samenhang met het lezen van de Schrift, leidde volgens de kerkvaders tot inzicht in wat God wilde openbaren.

Daarin ligt voor mij de hernieuwde scherpte van Hefners spreuk. Niet in de zin dat wetenschappelijke kennis over onze wereld rechtstreeks en ondubbelzinnig naar religieuze kennis leidt (of omgekeerd), wat ik niet geloof. Ook niet, hoewel ik hiervan wel overtuigd ben, in de zin dat de hedendaagse theologische reflectie op wetenschappelijke kennis, een reflectie die zowel vragen over de betekenis van religieuze begrippen als antwoorden op dergelijke vragen inhoudt, inherent deel uitmaakt van de brede, gevarieerde christelijke openbaringstraditie. Maar de idee dat de christelijke openbaringstraditie nood heeft aan interactie met wetenschap om toegang te krijgen tot één van haar wezenlijke bronnen, namelijk de contemplatie op de natuur: daarin ligt voor mij de scherpte van het citaat van Hefner.

En nu dat spannende boek van Harrison verder uitlezen!

Beeld: Thomas van Aquino, door Gentile da Fabriano / Wikipedia

Over de Auteurs: Tom Uytterhoeven