Home » Opinie » De (on)gelovige antropoloog

De (on)gelovige antropoloog

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 22 maart 2016 | 3 min read |

‘Het is gevaarlijk om je met religieuze antropologie bezig te houden’, waarschuwde een gereformeerde mevrouw mij jaren geleden tijdens een lezing over religie door een hoogleraar culturele antropologie. Onlangs dacht ik terug aan die opmerking bij het lezen van het boek The Slain God: Anthropologists and the Christian Faith van historicus Timothy Larsen (Oxford University Press, 2014).

Het geloof verliezen?

Larsen bestudeerde de relatie tussen wetenschappers en geloof in 19e-eeuws Engeland en kwam regelmatig verwijzingen tegen naar antropologen die niet meer konden geloven in hun christelijke god. De goden en religies die zij in andere culturen leerden kennen, leken even legitiem. Dit was precies de angst van de mevrouw die mij aansprak bij de lezing: ik zou mijn geloof verliezen door mij (sociaal)wetenschappelijk met religie bezig te houden.

Larsen wilde er meer van weten. Het is wellicht verrassend dat hij ontdekte dat een paar belangrijke grondleggers van de culturele en religieuze antropologie christenen waren, zoals E.E. Evans-Pritchard en Victor en Edith Turner. Zij werden eerder meer dan minder gelovig tijdens hun veldwerk. Dit is mogelijk een van de redenen geweest waarom veel antropologen lange tijd het christendom geen belangrijk onderwerp van studie achtten, omdat de antropologische concepten over religie mede daardoor te christelijk zouden zijn. Hoe dan ook, Larsens studie roept vragen op over de positie van de (sociale) wetenschapper die religie bestudeert.

 

Insider of outsider

‘Kun je wetenschappelijk onderzoek doen naar religie als je zelf gelovig bent?’ vragen studenten mij als zij een scriptie voorbereiden over een religieus onderwerp. Of: ‘Ik heb helemaal geen ervaring met religie, kan ik er dan wel onderzoek naar doen?’

De antropologische onderzoeksmethode van participerende observatie roept altijd de vruchtbare spanning op tussen ‘insider’ en ‘outsider’ zijn. Deze spanning is bij de studie van religie altijd extra aanwezig omdat religie en wetenschap over het algemeen als elkaars tegenpolen worden gezien. In dit spanningsveld heeft de onderzoeker meestal de optie om zich óf als theïst op te stellen – bijvoorbeeld de claims over genezingen accepteren, óf als atheïst – aantonen dat religie wordt gebruikt om ‘valse claims’ te doen over genezingen, óf als agnost – zoveel mogelijk neutraal blijven.

 

De onderzoeker als ludist

De antropologen André Droogers en Kim Knibbe stellen een vierde optie voor. Die van de onderzoeker als ‘ludist’ (methodologisch ludisme). In het kort komt het erop neer dat een onderzoeker zich niet bezighoudt met waarheidsclaims. En dat hij of zij religie niet alleen maar benadert als een cognitief fenomeen, maar ook als geleefde realiteit. Als ongelovige onderzoeker kun je tijdelijk, in de periode dat je veldwerk doet, proberen je zo veel mogelijk te verplaatsen in het leven van de gelovige ander. Dit als een vorm van serieus spel. Ook al zitten er haken en ogen aan deze manier van onderzoek doen, zoals bovengenoemde antropologen zelf ook beschrijven, draagt het bij aan het besef dat gelovigen en wetenschappers zich met dezelfde vragen bezighouden – over welzijn bijvoorbeeld – maar er met een ander perspectief naar kijken.

Als ik nog eens die gereformeerde mevrouw zou mogen spreken, zou ik haar vertellen dat antropologen en gelovigen een gemeenschappelijke basis hebben. Namelijk als mensen die betekenis geven aan de werkelijkheid waarin ze leven. En dat de opvattingen en ervaringen van gelovigen belangrijke bronnen zijn voor wetenschappelijke kennisvorming, die de geloofskeuzes van onderzoekers hoe dan ook verrijken.

 

Kim Knibbe en André Droogers. 2011. ‘Methodological Ludism and the Academic Study of Religion’. Method and Theory in the Study of Religion 23: 283-303.

Timothy Larsen. 2014. The Slain God: Anthropologists and the Christian Faith. Oxford: Oxford University Press.

Over de Auteurs: Linda van de Kamp

Home » Opinie » De (on)gelovige antropoloog

De (on)gelovige antropoloog

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 22 maart 2016 | 3 min read |

‘Het is gevaarlijk om je met religieuze antropologie bezig te houden’, waarschuwde een gereformeerde mevrouw mij jaren geleden tijdens een lezing over religie door een hoogleraar culturele antropologie. Onlangs dacht ik terug aan die opmerking bij het lezen van het boek The Slain God: Anthropologists and the Christian Faith van historicus Timothy Larsen (Oxford University Press, 2014).

Het geloof verliezen?

Larsen bestudeerde de relatie tussen wetenschappers en geloof in 19e-eeuws Engeland en kwam regelmatig verwijzingen tegen naar antropologen die niet meer konden geloven in hun christelijke god. De goden en religies die zij in andere culturen leerden kennen, leken even legitiem. Dit was precies de angst van de mevrouw die mij aansprak bij de lezing: ik zou mijn geloof verliezen door mij (sociaal)wetenschappelijk met religie bezig te houden.

Larsen wilde er meer van weten. Het is wellicht verrassend dat hij ontdekte dat een paar belangrijke grondleggers van de culturele en religieuze antropologie christenen waren, zoals E.E. Evans-Pritchard en Victor en Edith Turner. Zij werden eerder meer dan minder gelovig tijdens hun veldwerk. Dit is mogelijk een van de redenen geweest waarom veel antropologen lange tijd het christendom geen belangrijk onderwerp van studie achtten, omdat de antropologische concepten over religie mede daardoor te christelijk zouden zijn. Hoe dan ook, Larsens studie roept vragen op over de positie van de (sociale) wetenschapper die religie bestudeert.

 

Insider of outsider

‘Kun je wetenschappelijk onderzoek doen naar religie als je zelf gelovig bent?’ vragen studenten mij als zij een scriptie voorbereiden over een religieus onderwerp. Of: ‘Ik heb helemaal geen ervaring met religie, kan ik er dan wel onderzoek naar doen?’

De antropologische onderzoeksmethode van participerende observatie roept altijd de vruchtbare spanning op tussen ‘insider’ en ‘outsider’ zijn. Deze spanning is bij de studie van religie altijd extra aanwezig omdat religie en wetenschap over het algemeen als elkaars tegenpolen worden gezien. In dit spanningsveld heeft de onderzoeker meestal de optie om zich óf als theïst op te stellen – bijvoorbeeld de claims over genezingen accepteren, óf als atheïst – aantonen dat religie wordt gebruikt om ‘valse claims’ te doen over genezingen, óf als agnost – zoveel mogelijk neutraal blijven.

 

De onderzoeker als ludist

De antropologen André Droogers en Kim Knibbe stellen een vierde optie voor. Die van de onderzoeker als ‘ludist’ (methodologisch ludisme). In het kort komt het erop neer dat een onderzoeker zich niet bezighoudt met waarheidsclaims. En dat hij of zij religie niet alleen maar benadert als een cognitief fenomeen, maar ook als geleefde realiteit. Als ongelovige onderzoeker kun je tijdelijk, in de periode dat je veldwerk doet, proberen je zo veel mogelijk te verplaatsen in het leven van de gelovige ander. Dit als een vorm van serieus spel. Ook al zitten er haken en ogen aan deze manier van onderzoek doen, zoals bovengenoemde antropologen zelf ook beschrijven, draagt het bij aan het besef dat gelovigen en wetenschappers zich met dezelfde vragen bezighouden – over welzijn bijvoorbeeld – maar er met een ander perspectief naar kijken.

Als ik nog eens die gereformeerde mevrouw zou mogen spreken, zou ik haar vertellen dat antropologen en gelovigen een gemeenschappelijke basis hebben. Namelijk als mensen die betekenis geven aan de werkelijkheid waarin ze leven. En dat de opvattingen en ervaringen van gelovigen belangrijke bronnen zijn voor wetenschappelijke kennisvorming, die de geloofskeuzes van onderzoekers hoe dan ook verrijken.

 

Kim Knibbe en André Droogers. 2011. ‘Methodological Ludism and the Academic Study of Religion’. Method and Theory in the Study of Religion 23: 283-303.

Timothy Larsen. 2014. The Slain God: Anthropologists and the Christian Faith. Oxford: Oxford University Press.

Over de Auteurs: Linda van de Kamp