Home » Opinie » De eenheden van selectie: reactie op Bas Jongeling

De eenheden van selectie: reactie op Bas Jongeling

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 3 april 2013 | 6.3 min read |

Op 11 december 2012 promoveerde Joris Paul van Rossum aan de Vrije Universiteit op het proefschrift On Sexual Reproduction as a New Critique of the Theory of Natural Selection, waarin hij fundamentele kritiek levert op de evolutietheorie. Inmiddels zijn er verschillende besprekingen verschenen van zijn proefschrift. De filosoof Bas Jongeling schreef onlangs een (kritische) recensie voor deze website. Joris van Rossum reageert nu hierop.

In de recensie van mijn proefschrift van Bas Jongeling van 18 maart worden zaken naar voren gebracht die al eerder door critici van mijn werk zijn verwoord, en waarop ik eerder uitgebreid heb geantwoord (zie in Ad Valvas). Met name wil ik nogmaals benadrukken dat de problemen rondom seksuele reproductie waar biologen tot op de dag van vandaag  mee worstelen, anders zijn dan het probleem dat ik introduceer in mijn werk. Deze reeds bekende problemen hoeven in mijn ogen ook niet als fundamenteel gezien te worden, maar in mijn werk heb ik ze gepositioneerd als een Kuhniaanse anomalie. Ik stel dat deze problemen (met name de kosten van meiose) de consequentie zijn van verkeerde aannames, namelijk de keuze voor het gen als eenheid van selectie.

De kern van mijn werk

Een belangrijke reden dat ik op het stuk wil reageren is dat het duidelijk maakt dat er verwarring bestaat over het begrip ‘eenheid van selectie’ en de rol van het gen, beide essentiële aspecten van mijn werk. In lijn met Dawkins heb ik de eenheid van selectie gedefinieerd als die eenheid waarvoor adaptaties evolueren (‘the unit adaptations evolve for the good of’). Darwin stelt avant la lettre dat deze eenheid het (seksueel) reproducerende organisme is, maar ik toon aan dat deze interpretatie van de werking van natuurlijke selectie een fundamentele beperking oplevert, omdat hier het optreden van natuurlijke selectie gegrond is op het reeds bestaan van biologische kenmerken (namelijk het reproducerende organisme). Hierdoor zullen verklaringen door middel van natuurlijke selectie altijd onvolledig blijven omdat het reproducerende organisme zelf niet verklaard kan worden. Dawkins stelt een andere eenheid van selectie voor – de replicator – en ik laat zien dat het aannemen van deze eenheid van selectie in theorie een volledige verklaring door middel van natuurlijk selectie kan geven, omdat de oorsprong van de replicator en het proces van replicatie niet afhangen van het bestaan van biologische kenmerken. Wat ik vervolgens doe is precies de relatie aangeven tussen deze replicator, adaptaties, en het proces van adaptatie, en ik stel dat adaptaties alleen kunnen evolueren als onderdeel van de replicator. Dit is de spil van mijn werk en wordt onder andere behandeld op pagina 67-69.  Ik concludeer echter dat dit model niet toepasbaar is op seksueel reproduceerbare organismen. Het enige niveau in organismen dat voldoende overeenkomt met de beschrijving van een replicator is het gen (zoals ook Dawkins aangeeft), maar in lijn met de relatie die ik vaststel tussen de replicator, adaptaties, en het proces van adaptatie, concludeer ik dat met het gen als eenheid geen verklaring gegeven zou kunnen worden voor alles wat het niveau van het gen overstijgt. Daarnaast laat ik zien, aan de hand van hetzelfde model, dat seksuele reproductie nooit als adaptatie verklaard kan worden omdat het DNA dat codeert voor dit kenmerk geen onderdeel uitmaakt van een replicator waarvoor het geëvolueerd kan zijn. De essentie is dat er geen eenheid van selectie aan te wijzen is die een verklaring zou kunnen geven voor seksuele reproductie als adaptatie. Noch het gen, noch een andere entiteit, voldoet.

Waarvoor of wat?

Dit kan natuurlijk betwijfeld en bediscussieerd worden, maar het verwarrende is dat in de discussie over mijn proefschrift het gen zijn intrede doet in een andere betekenis, namelijk niet als dat waarvoor iets geselecteerd wordt, maar dat wat geselecteerd wordt. Zo schrijft dr. Jongeling:

‘In de strijd om het bestaan worden organismen met bepaalde eigenschappen geselecteerd. Een antiloop die iets sneller of iets waakzamer is heeft een iets grotere kans om te overleven in een omgeving vol leeuwen en hyena’s. Tegelijk worden daardoor genen geselecteerd. De genen die de drager ervan sneller of waakzamer maken, hebben een grotere kans naar de volgende generatie te worden doorgegeven.’

En zo schrijft ook dr. de Jong in een eerdere brief omtrent mijn proefschrift dat mijn interpretatie van natuurlijke selectie (en de rol van het gen) foutief is, aangezien
‘(…) zowel in de empirische studie van natuurlijke selectie als in de theoretische benadering de wisselwerking tussen genen en individuen centraal staat: natuurlijke selectie verandert de frequentie van allelen van genen via verschillen in de overleving en reproductie van hun dragers, de individuen, die in competitie zijn met elkaar’.

Maar hiermee is het gen (of zoals men wilt, het allel) niet datgene waarvoor iets geselecteerd wordt, maar datgene wat geselecteerd wordt (en wiens frequentie vervolgens verandert), en wel geselecteerd voor ‘hun dragers, de individuen, die in competitie zijn met elkaar’: die genen zullen doorgegeven worden die hun dragers in staat stellen om te overleven en zich voort te planten. Nu is men natuurlijk vrij om het gen op deze manier een rol in de evolutionaire theorie te geven (en eventueel een eenheid van selectie te noemen), maar er mag geen twijfel over bestaan dat datgene wat geselecteerd wordt, en datgene waarvoor iets geselecteerd wordt, geheel andere zaken zijn.

De eenheden van selectie

De discussie rondom mijn proefschrift lijkt derhalve vervuild te zijn geraakt door ambiguïteit rondom de term eenheid van selectie en de rol van het gen in natuurlijke selectie, en het is daarom belangrijk drie zaken duidelijk te onderscheiden: (1) datgene waarvoor iets geselecteerd wordt (de eenheid van selectie in mijn definitie),  (2) dat wat geselecteerd wordt, en (3) dat waarop geselecteerd wordt (e.g. fenotypische kenmerken van het gen). Vaak lijkt de eenheid van selectie ook in betekenis (2) gehanteerd te worden, en het is in deze betekenis dat de kritiek op het idee van het gen als eenheid omdat deze niet ‘zichtbaar’ zou zijn voor natuurlijke selectie te begrijpen is (zoals verwoord door onder andere Gould en Sober). Immers, als iets geselecteerd wordt, moet datgene ook een selectief voordeel opleveren. De strekking van mijn werk is echter dat alleen de replicator als eenheid van selectie in betekenis (1), namelijk als eenheid waarvoor adaptaties evolueren, een volledig verklaringsmodel kan opleveren, maar dat dit model niet toe te passen is op seksueel reproducerende organismen, en als onderdeel daarvan stel ik dat het gen niet kan fungeren als eenheid van selectie in definitie (1). Dat het gen gezien kan worden als een eenheid die geselecteerd wordt in de context van de competitie van zijn drager (definitie 2), is dus feitelijk niet relevant voor de conclusies van mijn werk omdat ook in deze interpretatie van natuurlijke selectie nooit een volledige verklaring van alle biologische kenmerken gegeven kan worden, aangezien deze rust op de aanname van het bestaan van ‘individuen die in competitie zijn met elkaar’. Hierbij ontstaat dus dezelfde onvolledigheid als bij Darwin is geconstateerd (zie ook pagina 75 en 76 van mijn werk).

PS Nog een opmerking over het vermeende populaire karakter van Chance and Necessity. De treffende ondertitel van dit werk van de Nobelprijswinnaar Jacques Monod is ‘An Essay on the Natural Philosophy of Modern Biology’, en dat is exact wat het werk is – het geeft een uitleg hoe de moderne biologie (de biochemie in combinatie met de evolutietheorie) op een naturalistische wijze een verklaring zou kunnen geven voor het bestaan van levende entiteiten. Dit lijkt mij wijsgerig en fundamenteel genoeg om een uitvoerige behandeling van dit werk te rechtvaardigen, maar het staat eenieder natuurlijk vrij dit ‘populair’ te noemen.

Over de Auteurs: Joris van Rossum

Home » Opinie » De eenheden van selectie: reactie op Bas Jongeling

De eenheden van selectie: reactie op Bas Jongeling

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 3 april 2013 | 6.3 min read |

Op 11 december 2012 promoveerde Joris Paul van Rossum aan de Vrije Universiteit op het proefschrift On Sexual Reproduction as a New Critique of the Theory of Natural Selection, waarin hij fundamentele kritiek levert op de evolutietheorie. Inmiddels zijn er verschillende besprekingen verschenen van zijn proefschrift. De filosoof Bas Jongeling schreef onlangs een (kritische) recensie voor deze website. Joris van Rossum reageert nu hierop.

In de recensie van mijn proefschrift van Bas Jongeling van 18 maart worden zaken naar voren gebracht die al eerder door critici van mijn werk zijn verwoord, en waarop ik eerder uitgebreid heb geantwoord (zie in Ad Valvas). Met name wil ik nogmaals benadrukken dat de problemen rondom seksuele reproductie waar biologen tot op de dag van vandaag  mee worstelen, anders zijn dan het probleem dat ik introduceer in mijn werk. Deze reeds bekende problemen hoeven in mijn ogen ook niet als fundamenteel gezien te worden, maar in mijn werk heb ik ze gepositioneerd als een Kuhniaanse anomalie. Ik stel dat deze problemen (met name de kosten van meiose) de consequentie zijn van verkeerde aannames, namelijk de keuze voor het gen als eenheid van selectie.

De kern van mijn werk

Een belangrijke reden dat ik op het stuk wil reageren is dat het duidelijk maakt dat er verwarring bestaat over het begrip ‘eenheid van selectie’ en de rol van het gen, beide essentiële aspecten van mijn werk. In lijn met Dawkins heb ik de eenheid van selectie gedefinieerd als die eenheid waarvoor adaptaties evolueren (‘the unit adaptations evolve for the good of’). Darwin stelt avant la lettre dat deze eenheid het (seksueel) reproducerende organisme is, maar ik toon aan dat deze interpretatie van de werking van natuurlijke selectie een fundamentele beperking oplevert, omdat hier het optreden van natuurlijke selectie gegrond is op het reeds bestaan van biologische kenmerken (namelijk het reproducerende organisme). Hierdoor zullen verklaringen door middel van natuurlijke selectie altijd onvolledig blijven omdat het reproducerende organisme zelf niet verklaard kan worden. Dawkins stelt een andere eenheid van selectie voor – de replicator – en ik laat zien dat het aannemen van deze eenheid van selectie in theorie een volledige verklaring door middel van natuurlijk selectie kan geven, omdat de oorsprong van de replicator en het proces van replicatie niet afhangen van het bestaan van biologische kenmerken. Wat ik vervolgens doe is precies de relatie aangeven tussen deze replicator, adaptaties, en het proces van adaptatie, en ik stel dat adaptaties alleen kunnen evolueren als onderdeel van de replicator. Dit is de spil van mijn werk en wordt onder andere behandeld op pagina 67-69.  Ik concludeer echter dat dit model niet toepasbaar is op seksueel reproduceerbare organismen. Het enige niveau in organismen dat voldoende overeenkomt met de beschrijving van een replicator is het gen (zoals ook Dawkins aangeeft), maar in lijn met de relatie die ik vaststel tussen de replicator, adaptaties, en het proces van adaptatie, concludeer ik dat met het gen als eenheid geen verklaring gegeven zou kunnen worden voor alles wat het niveau van het gen overstijgt. Daarnaast laat ik zien, aan de hand van hetzelfde model, dat seksuele reproductie nooit als adaptatie verklaard kan worden omdat het DNA dat codeert voor dit kenmerk geen onderdeel uitmaakt van een replicator waarvoor het geëvolueerd kan zijn. De essentie is dat er geen eenheid van selectie aan te wijzen is die een verklaring zou kunnen geven voor seksuele reproductie als adaptatie. Noch het gen, noch een andere entiteit, voldoet.

Waarvoor of wat?

Dit kan natuurlijk betwijfeld en bediscussieerd worden, maar het verwarrende is dat in de discussie over mijn proefschrift het gen zijn intrede doet in een andere betekenis, namelijk niet als dat waarvoor iets geselecteerd wordt, maar dat wat geselecteerd wordt. Zo schrijft dr. Jongeling:

‘In de strijd om het bestaan worden organismen met bepaalde eigenschappen geselecteerd. Een antiloop die iets sneller of iets waakzamer is heeft een iets grotere kans om te overleven in een omgeving vol leeuwen en hyena’s. Tegelijk worden daardoor genen geselecteerd. De genen die de drager ervan sneller of waakzamer maken, hebben een grotere kans naar de volgende generatie te worden doorgegeven.’

En zo schrijft ook dr. de Jong in een eerdere brief omtrent mijn proefschrift dat mijn interpretatie van natuurlijke selectie (en de rol van het gen) foutief is, aangezien
‘(…) zowel in de empirische studie van natuurlijke selectie als in de theoretische benadering de wisselwerking tussen genen en individuen centraal staat: natuurlijke selectie verandert de frequentie van allelen van genen via verschillen in de overleving en reproductie van hun dragers, de individuen, die in competitie zijn met elkaar’.

Maar hiermee is het gen (of zoals men wilt, het allel) niet datgene waarvoor iets geselecteerd wordt, maar datgene wat geselecteerd wordt (en wiens frequentie vervolgens verandert), en wel geselecteerd voor ‘hun dragers, de individuen, die in competitie zijn met elkaar’: die genen zullen doorgegeven worden die hun dragers in staat stellen om te overleven en zich voort te planten. Nu is men natuurlijk vrij om het gen op deze manier een rol in de evolutionaire theorie te geven (en eventueel een eenheid van selectie te noemen), maar er mag geen twijfel over bestaan dat datgene wat geselecteerd wordt, en datgene waarvoor iets geselecteerd wordt, geheel andere zaken zijn.

De eenheden van selectie

De discussie rondom mijn proefschrift lijkt derhalve vervuild te zijn geraakt door ambiguïteit rondom de term eenheid van selectie en de rol van het gen in natuurlijke selectie, en het is daarom belangrijk drie zaken duidelijk te onderscheiden: (1) datgene waarvoor iets geselecteerd wordt (de eenheid van selectie in mijn definitie),  (2) dat wat geselecteerd wordt, en (3) dat waarop geselecteerd wordt (e.g. fenotypische kenmerken van het gen). Vaak lijkt de eenheid van selectie ook in betekenis (2) gehanteerd te worden, en het is in deze betekenis dat de kritiek op het idee van het gen als eenheid omdat deze niet ‘zichtbaar’ zou zijn voor natuurlijke selectie te begrijpen is (zoals verwoord door onder andere Gould en Sober). Immers, als iets geselecteerd wordt, moet datgene ook een selectief voordeel opleveren. De strekking van mijn werk is echter dat alleen de replicator als eenheid van selectie in betekenis (1), namelijk als eenheid waarvoor adaptaties evolueren, een volledig verklaringsmodel kan opleveren, maar dat dit model niet toe te passen is op seksueel reproducerende organismen, en als onderdeel daarvan stel ik dat het gen niet kan fungeren als eenheid van selectie in definitie (1). Dat het gen gezien kan worden als een eenheid die geselecteerd wordt in de context van de competitie van zijn drager (definitie 2), is dus feitelijk niet relevant voor de conclusies van mijn werk omdat ook in deze interpretatie van natuurlijke selectie nooit een volledige verklaring van alle biologische kenmerken gegeven kan worden, aangezien deze rust op de aanname van het bestaan van ‘individuen die in competitie zijn met elkaar’. Hierbij ontstaat dus dezelfde onvolledigheid als bij Darwin is geconstateerd (zie ook pagina 75 en 76 van mijn werk).

PS Nog een opmerking over het vermeende populaire karakter van Chance and Necessity. De treffende ondertitel van dit werk van de Nobelprijswinnaar Jacques Monod is ‘An Essay on the Natural Philosophy of Modern Biology’, en dat is exact wat het werk is – het geeft een uitleg hoe de moderne biologie (de biochemie in combinatie met de evolutietheorie) op een naturalistische wijze een verklaring zou kunnen geven voor het bestaan van levende entiteiten. Dit lijkt mij wijsgerig en fundamenteel genoeg om een uitvoerige behandeling van dit werk te rechtvaardigen, maar het staat eenieder natuurlijk vrij dit ‘populair’ te noemen.

Over de Auteurs: Joris van Rossum