Home » Opinie » Dat geloof je alleen maar omdat…

Dat geloof je alleen maar omdat…

By | Categorieën: Filosofie, Opinie | Gepubliceerd Op: 31 januari 2013 | 3.2 min read |

De bekende neuroloog Oliver Sacks schreef ooit een fascinerend opstel over een man die zijn vrouw voor een hoed hield. We ontmoeten daarin een musicus die moeite heeft om alledaagse zaken zoals stoelen, gezichten en voeten te herkennen. Sacks vertelt hoe de man aan het einde van een consult het hoofd van zijn eigen vrouw vastpak en het als een hoed op zijn hoofd probeert te zetten! Hij bleek te lijden aan visuele agnosie als gevolg van een hersenbeschadiging.

 

De gedachte dat je vrouw een hoed is, is bizar. Wie zich afvraagt hoe die man erbij kwam, zal direct zeggen dat dat kwam door een hersenbeschadiging. Zo geef je een verklaring van waarom iemand iets denkt. De man hield zijn vrouw alleen voor een hoed omdat hij visuele agnosie had.

 

Neem nu een gedachte die wel klopt: Quito is de hoofdstad van Ecuador. Voor veel van ons zal gelden dat, als we dit al geloven, we dat alleen maar doen omdat we het bijvoorbeeld ooit op school geleerd hebben. Ook een verklaring die iets zegt over waar een overtuiging vandaan komt. Maar nu geen reden om haar als bizar af te schrijven.

 

In beide gevallen geven we een verklaring van een overtuiging, maar in het ene zorgt die verklaring ervoor dat we de overtuiging niet serieus nemen en in het andere niet. Laten we het zo zeggen: sommige overtuigingen hebben een slechte afkomst; andere een goede. Wat maakt nu het verschil?

 

Je kunt denken: bij een goede afkomst staan de feiten aan het begin van het proces dat naar een overtuiging leidt en bij een slechte niet. Vrouwen zijn nu eenmaal geen hoeden, dus er was zelfs helemaal geen feit dat tot de bizarre gedachte van de musicus uit Sacks’ verhaal had kunnen leiden. In het geval van Quito hebben we het op school geleerd, omdat het in officiële atlassen staat. En daar staat het in omdat experts hebben uitgezocht wat de feiten zijn.

 

Dit zit in de goede richting, maar toch ligt het iets ingewikkelder. Soms staat er wel een feit aan het begin en klopt de overtuiging aan het eind ook, maar is er ondertussen teveel mis gegaan. Je overbuurman organiseert een barbecue op 7 juni. Hij maakt een mooie uitnodiging, maar wisselt per ongeluk twee getallen om en nodigt zodoende iedereen uit op 6 juli. Jij leest de uitnodiging snel, maakt de omgekeerde vergissing en onthoudt dat de barbecue op 7 juni is. Je overtuiging klopt weliswaar, maar toch is de afkomst ervan niet in orde. Iets preciezer moet je dus zeggen dat een goede afkomst niet alleen een feit aan het begin vereist, maar ook geen rare fratsen verderop.

 

Wat hebben we hieraan? Als iemand zegt: “Dat gelooft hij alleen maar omdat hij … christelijk is opgevoed / in West-Europa is geboren / een blanke man is,” dan is de suggestie dat je zo’n overtuiging vooral niet serieus moet nemen. Ook evolutionaire verklaringen van religie en moraal passen deze strategie toe: “Mensen geloven alleen maar in goed en kwaad / in een God omdat dat evolutionair voordelig was.”

 

Het bovenstaande laat zien dat deze opmerkingen op zich nog niets zeggen. Elke overtuiging heeft een afkomst. De hamvraag is of het een goede of een slechte afkomst is. Nu suggereren dergelijke opmerkingen weliswaar dat het een slechte afkomst is, maar ze doen niets om die suggestie hard te maken. Daarvoor is meer nodig. Het moet aangetoond worden dat er geen feiten aan het begin van het proces zaten. Of dat er ergens in het proces op weg naar de overtuiging rare fratsen zaten. Die dingen aantonen is verre van eenvoudig. Wie dus denkt dat hij met één zo’n vlotte opmerking geloof in God of in een objectieve moraal onderuit kan halen, denkt dat waarschijnlijk alleen maar omdat hij in een seculier of relativistisch klimaat leeft.

 

Over de Auteurs: Jeroen de Ridder

Home » Opinie » Dat geloof je alleen maar omdat…

Dat geloof je alleen maar omdat…

By | Categorieën: Filosofie, Opinie | Gepubliceerd Op: 31 januari 2013 | 3.2 min read |

De bekende neuroloog Oliver Sacks schreef ooit een fascinerend opstel over een man die zijn vrouw voor een hoed hield. We ontmoeten daarin een musicus die moeite heeft om alledaagse zaken zoals stoelen, gezichten en voeten te herkennen. Sacks vertelt hoe de man aan het einde van een consult het hoofd van zijn eigen vrouw vastpak en het als een hoed op zijn hoofd probeert te zetten! Hij bleek te lijden aan visuele agnosie als gevolg van een hersenbeschadiging.

 

De gedachte dat je vrouw een hoed is, is bizar. Wie zich afvraagt hoe die man erbij kwam, zal direct zeggen dat dat kwam door een hersenbeschadiging. Zo geef je een verklaring van waarom iemand iets denkt. De man hield zijn vrouw alleen voor een hoed omdat hij visuele agnosie had.

 

Neem nu een gedachte die wel klopt: Quito is de hoofdstad van Ecuador. Voor veel van ons zal gelden dat, als we dit al geloven, we dat alleen maar doen omdat we het bijvoorbeeld ooit op school geleerd hebben. Ook een verklaring die iets zegt over waar een overtuiging vandaan komt. Maar nu geen reden om haar als bizar af te schrijven.

 

In beide gevallen geven we een verklaring van een overtuiging, maar in het ene zorgt die verklaring ervoor dat we de overtuiging niet serieus nemen en in het andere niet. Laten we het zo zeggen: sommige overtuigingen hebben een slechte afkomst; andere een goede. Wat maakt nu het verschil?

 

Je kunt denken: bij een goede afkomst staan de feiten aan het begin van het proces dat naar een overtuiging leidt en bij een slechte niet. Vrouwen zijn nu eenmaal geen hoeden, dus er was zelfs helemaal geen feit dat tot de bizarre gedachte van de musicus uit Sacks’ verhaal had kunnen leiden. In het geval van Quito hebben we het op school geleerd, omdat het in officiële atlassen staat. En daar staat het in omdat experts hebben uitgezocht wat de feiten zijn.

 

Dit zit in de goede richting, maar toch ligt het iets ingewikkelder. Soms staat er wel een feit aan het begin en klopt de overtuiging aan het eind ook, maar is er ondertussen teveel mis gegaan. Je overbuurman organiseert een barbecue op 7 juni. Hij maakt een mooie uitnodiging, maar wisselt per ongeluk twee getallen om en nodigt zodoende iedereen uit op 6 juli. Jij leest de uitnodiging snel, maakt de omgekeerde vergissing en onthoudt dat de barbecue op 7 juni is. Je overtuiging klopt weliswaar, maar toch is de afkomst ervan niet in orde. Iets preciezer moet je dus zeggen dat een goede afkomst niet alleen een feit aan het begin vereist, maar ook geen rare fratsen verderop.

 

Wat hebben we hieraan? Als iemand zegt: “Dat gelooft hij alleen maar omdat hij … christelijk is opgevoed / in West-Europa is geboren / een blanke man is,” dan is de suggestie dat je zo’n overtuiging vooral niet serieus moet nemen. Ook evolutionaire verklaringen van religie en moraal passen deze strategie toe: “Mensen geloven alleen maar in goed en kwaad / in een God omdat dat evolutionair voordelig was.”

 

Het bovenstaande laat zien dat deze opmerkingen op zich nog niets zeggen. Elke overtuiging heeft een afkomst. De hamvraag is of het een goede of een slechte afkomst is. Nu suggereren dergelijke opmerkingen weliswaar dat het een slechte afkomst is, maar ze doen niets om die suggestie hard te maken. Daarvoor is meer nodig. Het moet aangetoond worden dat er geen feiten aan het begin van het proces zaten. Of dat er ergens in het proces op weg naar de overtuiging rare fratsen zaten. Die dingen aantonen is verre van eenvoudig. Wie dus denkt dat hij met één zo’n vlotte opmerking geloof in God of in een objectieve moraal onderuit kan halen, denkt dat waarschijnlijk alleen maar omdat hij in een seculier of relativistisch klimaat leeft.

 

Over de Auteurs: Jeroen de Ridder