Home » Opinie » “Daarover moet zij zwijgen” De grenzen van de rede

“Daarover moet zij zwijgen” De grenzen van de rede

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 6 juni 2014 | 3.3 min read |

Recentelijk werd op deze site een aantal vertaalde Faraday-papers (1, John Polkinghorne; en 2, Denis Alexander) en een artikel van Tim Keller geplaatst over de verhouding tussen geloof/religie en natuurwetenschap.

 

Daar waar Denis Alexander een viertal modellen bespreekt en zijn artikel besluit met een duidelijke voorkeur voor een harmonie-model, is dit voor Keller juist het vertrekpunt. Hij gaat in op een aantal ogenschijnlijke conflictpunten tussen een evolutionaire ontstaansgeschiedenis van de mens en een scheppingsmodel, en breekt een lans voor een vorm van thëistische evolutie.

Conflicthypothese

Stuk voor stuk zijn de artikelen van Polkinghorne, Alexander en Keller reacties op de vaak gehanteerde conflicthypothese, die aan het einde van de 19e eeuw werd gepopulariseerd door John William Draper in zijn History of the Conflict between Religion and Science (1874) en Andrew Dickson White’s A History of the Warfare of Science with Theology in Christendom (1896). Ook de opkomst, of liever de vocalisering van het jonge-aarde creationisme in de twintigste eeuw heeft hieraan bijgedragen, vooral door de vele geschriften van George McCreedy Price, de Scopes “Monkey” trial, het boek The Genesis Flood van Henry M. Morris en John C. Whitcomb, en McLean v. Arkansas in de vroege jaren 80.

Integratie

Het is opvallend dat in het midden van de negentiende eeuw, toen er weliswaar nog geen Darwininiaanse evolutie op de agenda stond maar de idee van evolutie volop leefde (onder meer door de werken van Charles’ grootvader Erasmus Darwin, Jean-Baptiste Lamarck en George Lyell) er een stevige beweging gaande was die religie en wetenschap juist wilde integreren. Deze zogenaamde New Reformation, met namen als George Henry Lewes en William Hamilton, was een typische exponent van de in die tijd dominante vooruitgangsgedachte.

Herbert Spencer, bedenker van de term “survival of the fittest”, stelde in zijn Progress: Its Law and Cause (1857) dat allerlei soorten van continue verandering – astronomisch, geologisch, biologisch, psychologisch en sociaal – konden worden beschreven in termen van vooruitgang van homogene naar heterogene toestanden, veroorzaakt door de fundamenteel fysische transformaties van kracht, materie en beweging. Dit seculiere en materialistische essay werd in 1860 gevolgd door zijn System of Synthetic Philosophy, waarin hij een volledige integratie van natuurwetenschap en religie promootte. Hij was vooral gekant tegen dogmatisme: wetenschappelijk dogmatisme, dat stelde dat zij alles kon omvatten, en religieus dogmatisme: want hoe kon een mens het onkenbare kennen? Beide zijden moesten erkennen dat er een gebied was dat eenvoudigweg niet gekend kan worden: “the Unknowable”.

 

Hierin echoot Spencer een citaat uit Lewes’ novelle The Apprenticeship of Life (1850), waar de hoofdpersoon stelt:

 

“De rede is voor mij niet de enige en definitieve maatstaf. Rede is prima, zolang ze zich op haar eigen gebied begeeft, maar er zijn zaken die haar overstijgen, en daarover moet zij zwijgen. […] We kunnen geen verklaring geven voor onze instincten, behalve dat dit wetten zijn van onze bezigheid. Je kunt niet uitleggen waarom instinct nooit faalt, maar je weet dat dit zo is. Op dezelfde wijze wekken mooie voorwerpen emoties in ons op: kan jouw rede uitleggen waarom? Kan logica überhaupt je gevoelens beïnvloeden? Nee, dat kan ze niet; wat betreft gevoelens is ze is net zo machteloos als met instincten.”

Open houding

Ab Flipse bespreekt in zijn recente boek Christelijke Wetenschap hoe rond de eeuwwisseling in Nederland van zowel protestante als katholieke zijde eveneens pogingen werden ondernomen om geloof en natuurwetenschap te verzoenen. Het belangrijkste bezwaar tegen de nieuwe natuurwetenschap is haar mechanistisch karakter: er is geen ruimte voor de hand van God, er is geen telos, geen doel. Verschillende neo-calvinisten en neo-thomisten hanteren verschillende strategieën, maar duidelijk wordt dat voor velen een oude aarde en een lange ontstaansgeschiedenis van het leven zoals we dat nu kennen geen bezwaar is. Velen neigen naar een vorm van theïstische evolutie, zolang er maar ruimte is voor een teleologisch principe.

Wat deze beide episoden kenmerkt, is een open houding naar natuurwetenschap. Tegelijk is daar een bescheiden houding naar menselijk redeneervermogen, zowel binnen die wetenschap als binnen de theologie. Het citaat hierboven is daarvan een goede illustratie.

Over de Auteurs: Kees-Jan Schilt

Home » Opinie » “Daarover moet zij zwijgen” De grenzen van de rede

“Daarover moet zij zwijgen” De grenzen van de rede

By | Categorieën: Opinie | Gepubliceerd Op: 6 juni 2014 | 3.3 min read |

Recentelijk werd op deze site een aantal vertaalde Faraday-papers (1, John Polkinghorne; en 2, Denis Alexander) en een artikel van Tim Keller geplaatst over de verhouding tussen geloof/religie en natuurwetenschap.

 

Daar waar Denis Alexander een viertal modellen bespreekt en zijn artikel besluit met een duidelijke voorkeur voor een harmonie-model, is dit voor Keller juist het vertrekpunt. Hij gaat in op een aantal ogenschijnlijke conflictpunten tussen een evolutionaire ontstaansgeschiedenis van de mens en een scheppingsmodel, en breekt een lans voor een vorm van thëistische evolutie.

Conflicthypothese

Stuk voor stuk zijn de artikelen van Polkinghorne, Alexander en Keller reacties op de vaak gehanteerde conflicthypothese, die aan het einde van de 19e eeuw werd gepopulariseerd door John William Draper in zijn History of the Conflict between Religion and Science (1874) en Andrew Dickson White’s A History of the Warfare of Science with Theology in Christendom (1896). Ook de opkomst, of liever de vocalisering van het jonge-aarde creationisme in de twintigste eeuw heeft hieraan bijgedragen, vooral door de vele geschriften van George McCreedy Price, de Scopes “Monkey” trial, het boek The Genesis Flood van Henry M. Morris en John C. Whitcomb, en McLean v. Arkansas in de vroege jaren 80.

Integratie

Het is opvallend dat in het midden van de negentiende eeuw, toen er weliswaar nog geen Darwininiaanse evolutie op de agenda stond maar de idee van evolutie volop leefde (onder meer door de werken van Charles’ grootvader Erasmus Darwin, Jean-Baptiste Lamarck en George Lyell) er een stevige beweging gaande was die religie en wetenschap juist wilde integreren. Deze zogenaamde New Reformation, met namen als George Henry Lewes en William Hamilton, was een typische exponent van de in die tijd dominante vooruitgangsgedachte.

Herbert Spencer, bedenker van de term “survival of the fittest”, stelde in zijn Progress: Its Law and Cause (1857) dat allerlei soorten van continue verandering – astronomisch, geologisch, biologisch, psychologisch en sociaal – konden worden beschreven in termen van vooruitgang van homogene naar heterogene toestanden, veroorzaakt door de fundamenteel fysische transformaties van kracht, materie en beweging. Dit seculiere en materialistische essay werd in 1860 gevolgd door zijn System of Synthetic Philosophy, waarin hij een volledige integratie van natuurwetenschap en religie promootte. Hij was vooral gekant tegen dogmatisme: wetenschappelijk dogmatisme, dat stelde dat zij alles kon omvatten, en religieus dogmatisme: want hoe kon een mens het onkenbare kennen? Beide zijden moesten erkennen dat er een gebied was dat eenvoudigweg niet gekend kan worden: “the Unknowable”.

 

Hierin echoot Spencer een citaat uit Lewes’ novelle The Apprenticeship of Life (1850), waar de hoofdpersoon stelt:

 

“De rede is voor mij niet de enige en definitieve maatstaf. Rede is prima, zolang ze zich op haar eigen gebied begeeft, maar er zijn zaken die haar overstijgen, en daarover moet zij zwijgen. […] We kunnen geen verklaring geven voor onze instincten, behalve dat dit wetten zijn van onze bezigheid. Je kunt niet uitleggen waarom instinct nooit faalt, maar je weet dat dit zo is. Op dezelfde wijze wekken mooie voorwerpen emoties in ons op: kan jouw rede uitleggen waarom? Kan logica überhaupt je gevoelens beïnvloeden? Nee, dat kan ze niet; wat betreft gevoelens is ze is net zo machteloos als met instincten.”

Open houding

Ab Flipse bespreekt in zijn recente boek Christelijke Wetenschap hoe rond de eeuwwisseling in Nederland van zowel protestante als katholieke zijde eveneens pogingen werden ondernomen om geloof en natuurwetenschap te verzoenen. Het belangrijkste bezwaar tegen de nieuwe natuurwetenschap is haar mechanistisch karakter: er is geen ruimte voor de hand van God, er is geen telos, geen doel. Verschillende neo-calvinisten en neo-thomisten hanteren verschillende strategieën, maar duidelijk wordt dat voor velen een oude aarde en een lange ontstaansgeschiedenis van het leven zoals we dat nu kennen geen bezwaar is. Velen neigen naar een vorm van theïstische evolutie, zolang er maar ruimte is voor een teleologisch principe.

Wat deze beide episoden kenmerkt, is een open houding naar natuurwetenschap. Tegelijk is daar een bescheiden houding naar menselijk redeneervermogen, zowel binnen die wetenschap als binnen de theologie. Het citaat hierboven is daarvan een goede illustratie.

Over de Auteurs: Kees-Jan Schilt